Project

Monitoring gezelschapsdieren op CPE

In Nederlandse gezondheidszorginstellingen hebben zich ook al enkele uitbraken voorgedaan met deze carbapenemase producerende Enterobacteriaceae (CPE) (o.a. Maasstad Ziekenhuis). CPs liggen over het algemeen op plasmiden, waardoor deze genen relatief gemakkelijk kunnen worden overgedragen tussen bacteriën. Dit kan zowel tussen bacteriën van dezelfde soort (bijvoorbeeld van E. coli naar E. coli), als tussen verschillende soorten (bijvoorbeeld van E. coli naar Klebsiella).

Reeds enige jaren wordt er in Nederland onderzoek gedaan naar het voorkomen van Extended Spectrum ß-Lactamasen (ESBL) bij zowel mens als dier. De aanwezigheid van ESBLs leidt tot resistentie voor ß-lactam antibiotica tot 3e/4e generatie cefalosporinen. Daarnaast is momenteel ook veel aandacht voor carbapenemasen. Carbapenemasen zijn enzymen die ook de laatste generatie ß-lactam antibiotica (ertapenem, imipenem, meropenem) kunnen inactiveren.

In Nederlandse gezondheidszorginstellingen hebben zich ook al enkele uitbraken voorgedaan met deze carbapenemase producerende Enterobacteriaceae (CPE) (o.a. Maasstad Ziekenhuis). CPs liggen over het algemeen op plasmiden, waardoor deze genen relatief gemakkelijk kunnen worden overgedragen tussen bacteriën. Dit kan zowel tussen bacteriën van dezelfde soort (bijvoorbeeld van E. coli naar E. coli), als tussen verschillende soorten (bijvoorbeeld van E. coli naar Klebsiella).

Gezelschapsdieren

Momenteel vindt er nog geen screening plaats van carbapenemase producerende Enterobacteriaceae (CPEs) in gezelschapsdieren in Nederland. In de Nederlandse humane populatie zijn herhaaldelijk CPEs aangetoond. In huishoudens met gezelschapsdieren vindt over het algemeen intensief contact plaats met de dieren. Gezelschapsdieren zouden hierdoor een rol kunnen spelen in de mogelijke verspreiding van CPEs. Om het voorkomen van CPEs in gezelschapsdieren in kaart te brengen zal een surveillancestudie worden opgezet die zal aansluiten bij de aanpak van het CVI. Dit zal ook worden uitgevoerd in nauwe samenwerking met het CVI. Omdat wordt aangenomen dat de prevalentie vooralsnog laag is zal bij de initiële screening worden gefocust op een "high risk" populatie. Dat wil zeggen dat er wordt gekeken naar monsters die zijn afgenomen voor klinische diagnostiek en/of fecale monsters van dieren die (langdurig) worden behandeld met antibiotica en zodoende onder selectieve druk staan.

Verdacht positieve isolaten worden moleculair gekarakteriseerd (gen/plasmide/bacterie) en gemeld aan LNV. Er zal in deze fase geen contact met de eigenaar worden gezocht voor bron of follow-up, tenzij zij aangegeven hebben dat te willen.

Publicaties