Monitoring van grond- en substraat overgedragen virussen

Project

Monitoring van grond- en substraat overgedragen virussen

Doel van het project was het ontwikkelen van methoden voor het monitoren van plantenvirussen en vectoren die betrokken zijn bij grond- en substraat overgedragen virusziekten. Hiermee kunnen risico’s voorafgaand aan de teelt beter worden ingeschat en preventieve maatregelen tegen verspreiding worden getroffen. Dit draagt bij aan een meer duurzaam en weerbaar teeltsysteem.

De nadruk lag enerzijds bij het gebruik van indicator- en vangplanten waarvan de toepassing laagdrempelig is voor ondernemers. Anderzijds werden moleculaire en serologische toetsen betrokken bij dit project. Richtlijnen voor bodem- en substraatbemonstering zijn opgesteld om een betrouwbaar inzicht in potentiele risico’s te krijgen.

Mechanismen van overdracht: onderzocht werd welke factoren een rol spelen in de overleving en verspreiding van virus (en vector) in grond en substraat; bijv. binding en overleving van Augustaziek/slabobbelblad in schimmelsporen en alternatieve waardplanten, komkommerbontvirus, pepinomozaïekvirus via substraat. Plantenresten, maar ook gronddeeltjes kunnen namelijk een rol spelen bij de binding en overleving van plantenvirussen.

Resultaten van het onderzoek

  • Vaststellen effectiviteit van de geselecteerde toets-/vangplanten
    Van de gebruikte vangplanten lijken vogelmuur (Stellaria) melganzevoet (Chenopodium) en herderstasje (Capsella) de plantensoorten te zijn die ingezet kunnen worden voor meerdere virussen, o.a. voor ArMV, PlAMV, TRV, TVX. Andere virussen zijn zeer specifiek en alleen te vangen uit grond met hun specifieke gastheer. Dit geldt bijvoorbeeld voor SLRSV en de slavirussen MiLBVV en LBVaV.
  • Een aantal onkruiden blijken virusreservoirs te zijn voor ArMV, PlAMV en TRV. Telers dienen hier rekening mee te houden met hun onkruidbeleid. Omdat enkele virussen ook met zaad overgaan moet zaadzetting voorkomen zien te worden.
  • In dit onderzoek zijn ook sterke aanwijzingen gevonden dat verse potgrond ook bron voor een virusinfectie kan zijn.
  • Bij tulpenbollen, door telers aangeven dat hier symptomen van Augustaziek in voorkomen, werden met behulp van NGS (next generation sequensing) meerdere virussen gevonden die soortgelijke symptomen als Augusta kunnen veroorzaken.
  • In het onderzoek naar paprikageelnerfziekte zijn oude isolaten (gedroogde worteltjes meer dan 25 jaar bewaard) op jonge gezonde paprikaplanten gezet. Na herhaalde malen inzetten is gebleken dat deze isolaten van paprikageelnerfziekte niet meer infectieus waren.

    Publicaties

    Resultaten van dit project zijn wat betreft het onderzoek aan Augusta vermeld in het PT verslag: Augustaziek bij tulp (PT 14840)