Project

Perceelsafspoeling

Bedrijfsleven en overheden werken samen om normoverschrijdingen door gewasbeschermingsmiddelen in oppervlaktewater terug te dringen. Praktijkonderzoek Plant & Omgeving brengt de verschillende emissieroutes in kaart, zodat men in de land- en tuinbouw gerichter kan voorkomen dat gewasbeschermingsmiddelen uitspoelen.

Doelstelling

Kennis verzamelen over de effecten van afspoeling op de bodem. Welke factoren bepalen in Nederland de kans op oppervlakkige afspoeling? Wat is het effect op de emissie in oppervlaktewater? En van verdichting van de bodem?

Daarnaast vindt inventarisatie plaats van wat land- en tuinbouwers doen om wateroverlast op land te beperken, en wat het effect is van hun maatregelen.

Werkwijze

In overleg met de opdrachtgever is besloten dat met de beschikbare middelen het meest zinvol was berekeningen met GeoPEARL uit te voeren om:
  • de oppervlakkige afspoeling te vergelijken met drift en drainage, middelenpakket aardappel en mais
  • de effectiviteit van het handelingsperspectief te bepalen
Een berekeningsmethodiek is uitgebreid.

De kans op afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen is vergeleken met drift en kans op piek uitspoeling als gevolg van preferente stroming zoals berekend met Pearl voor twee teelten.

Effecten van verdichting van de bodem op de infiltratiecapaciteit van zand- en kleigronden zijn door middel van literatuurstudie onderzocht.

Mogelijke maatregelen zijn op een rij gezet en welke aanvullende informatie nodig is.

Tot slot heeft afstemming van de bevindingen met de stakeholders in een bijeenkomst plaatsgevonden.

Resultaten

Het effect van verminderde infiltratiecapaciteit en berging op oppervlakkige afspoeling is inzichtelijk gemaakt:
  • Percelen zijn van zichzelf niet homogeen
  • Bij een droge grond met een grove structuur kan de infiltratiecapaciteit zo laag zijn dat risico op plasvorming ontstaat en daarmee op oppervlakkige afspoeling
  • Wanneer de grond verzadigd is, zal tijdens neerslag plasvorming optreden, omdat het water bergend vermogen van de bodem te laag is.
  • Verdichting of inklinken van de grond leidt tot lager porievolume, waardoor het waterbergend vermogen lager is.
  • Bodemverdichting leidt tot circa 10% minder waterbergend vermogen van de grond. Storende lagen in de grond verminderen percolatie met 15- 35% van water naar de ondergrond en daarmee het waterbergend vermogen  
Mogelijke praktische maatregelen:
  • toepassing van bufferstroken
  • aanleg draslanden (wetlands)
  • invloed van grondbedekking en grondbewerking
  • invloed van de formulering van gewasbeschermingsmiddelen
  • invloed van drainage

Publicaties