Project

Systeemoplossing ziekten en plagen in grondgebonden teelten

Binnen dit project wordt het stapelen van middelen en maatregelen onderzocht voor een verhoogde weerbaarheid van teeltsystemen tegen grondgebonden ziekten en plagen, specifiek gericht op Meloidogyne incognita, Verticillium dahliae en Pythium ultimum. Met het stapelen wordt gezocht naar synergie en een verhoging van de kans op succes.

In 2018 is bij WUR een potproef uitgevoerd met als doel de bestrijding van wortelknobbelaaltjes in de gangbare teelt chrysant door stapeling van behandelingen aan de grond en/of plantmateriaal (in gronden van twee verschillende praktijkbedrijven). In de kasproef zijn effecten onderzocht van zes behandelingen aan grond en/of plantmateriaal op wortelknobbelindex en chrysanten groei.

Het toevoegen van compost aan de grond resulteerde in verdunning van natuurlijke wortelknobbelaaltjes inoculum in de onderzochte gronden (verdunningseffect).

Echter, toevoeging van compost, micro-organismen of combinatie compost/ micro-organismen in chrysantenteelt had geen effect op de wortelknobbel index (WKI) in chrysant. Chrysanten planten uit behandelingen met micro-organismen alleen of met combinatie compost+ micro-organismen waren langer en hadden hogere vers gewicht (tijdens teelt in een van de twee praktijkgronden).

Eind 2018 is ook een kleine proef ingezet met chrysant (100 planten) om effect van behandeling met Streptomyces griseoviridis k61 op infectie met Pythium ultimum of Fusarium oxysporum. Er was geen duidelijk effect op Pythium infectie waargenomen. Wel lijkt Streptomyces behandeling effect te hebben op Fusarium infectie. Planten die behandeld waren met Streptomyces en geïnfecteerd met Fusarium hadden een significant hoger gewicht per tak dan onbehandelde planten.

Het literatuuronderzoek door het Louis Bolk Instituut naar waardplantstatus van mogelijke companion crops voor Meloidogyne incognita, javanica en hapla is afgerond. Hierbij werden gegevens van 50 plantenfamilies verzameld en 569 plantensoorten, rassen en lijnen. Door de grote verschillen in onderzoeksmethodiek zijn de data uit de literatuurstudie echter niet zonder meer naar de praktijk te vertalen. Om deze reden zijn de resultaten uit de literatuurstudie per plantensoort (waar mogelijk) vertaald naar een WKI op niveau 0-10 en een vermeerderingsscore. De gegevens van de meest interessante plantensoorten zijn in november 2018 aan de betrokken groep biotelers gepresenteerd. Op basis van gewaskenmerken  en resultaten wat betreft aaltjesonderdrukkend vermogen, is een voorselectie van 31 plantensoorten gemaakt die verkrijgbaar zijn als zaad. Op basis van kiemtesten wordt een selectie van 20 plantensoorten begin 2019 meegenomen in waardplantenonderzoek. Grond van de 7 deelnemende biotelers wordt begin 2019 door middel van PCR technieken op soortniveau geanalyseerd op de aanwezigheid van verschillende tropische wortelknobbelaaltjes.