Minder administratie voor de pluimveehouderij

Nieuws

Minder administratie voor de pluimveehouderij

Gepubliceerd op
1 augustus 2019

Het Identificatie- en Registratiesysteem Pluimveehouderij is een betrouwbare bron voor de landbouwtelling en de emissieregistratie. Voor de meeste bedrijven is het mogelijk om met nieuw ontwikkelde rekenregels nauwkeuriger dieraantallen vast te stellen. Dit betekent dat de gegevens betrouwbaarder zijn dan voorheen, maar ook dat de pluimveehouders minder administratieve lasten hebben. Dit blijkt uit een onderzoek van Wageningen Research in opdracht van het ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit.

Verplichtingen

Om te voldoen aan statistische verplichtingen voor veehouderij en bedrijfsstructuur en voor de registratie van emissies is informatie nodig over de pluimveehouderij in Nederland. Via de jaarlijkse landbouwtelling geven de pluimveehouders aan hoeveel dieren aanwezig zijn, uitgesplitst in verschillende diergroepen. De onderzoekers hebben onderzocht of
het mogelijk is om de benodigde gegevens af te leiden uit gegevens van het I&R Pluimveehouderij, een systeem voor identificatie en registratie van dieren voor dier- en volksgezondheid. Het I&R Pluimveehouderij bevat meer onderscheid tussen diergroepen dan nodig is voor de landbouwtelling of voor de emissieregistratie. Door de gegevens van het systeem te koppelen aan de Basisregistratie Adressen en Gebouwen kan ook de dierbezetting per locatie worden bepaald. Dit is belangrijke informatie voor de emissieberekeningen. De nieuwe werkwijze leidt niet alleen tot lagere administratieve lasten, maar ook tot een kwaliteitsverbetering van de pluimveegegevens.

Lagere aantallen

Uit het onderzoek is verder gebleken dat de pluimvee-aantallen
lager zijn dan de opgaven in de landbouwtelling. Dat hangt vooral samen met de zogenaamde ‘all-in-all-out’ toepassing in de pluimveehouderij. Hierdoor zijn er altijd veehouders, die op de teldatum van 1 april geen dieren in de stal hebben staan, maar de rest van het jaar wel. In de praktijk betekende dit dat veehouders de reguliere bezetting invulden, waardoor een kleine overschatting van de pluimveestapel ontstaat. Landelijk gaat het om ongeveer 5%. In de berekende aantallen wordt de leegstand tussen rondes beter meegenomen, dan in de opgegeven aantallen. Met de nieuw ontwikkelde rekenmethode kan ook de
gemiddelde bezetting over het kalenderjaar worden berekend. Daaruit blijkt dat de telling op 1 april bij leghennen iets hoger uitvalt dan het jaargemiddelde, wat waarschijnlijk te maken heeft met het paasfeest rond deze datum. Voor kalkoenen is het andersom: in de aanloop naar het eind van het jaar worden er iets meer dieren gehouden dan rond 1 april.

Lees meer in dit dossier