Noordzee-haringlarvensurvey

De haring, die in de zuidelijke Noordzee en het Kanaal voorkomt zet zijn eieren in november/december af, het is een zogenaamde winterpaaier. In de noordelijke en centrale Noordzee wordt in augustus/september, de herfst, gepaaid. De eieren worden afgezet op grindbedden op de bodem. Na iets meer dan een week komen de eieren uit. Jaarlijks worden een aantal surveys uitgevoerd op de belangrijkste paaiplaatsen om de hoeveelheid haringlarven te meten. De surveys worden uitgevoerd door Nederland en Duitsland. De hoeveelheid haringlarven in zee blijkt een goede maat voor de omvang van de volwassen haringstand.

De haringlarven worden gevangen met een fijnmazig net dat zich in een torpedovormig omhulsel bevindt. Met dit net wordt op ieder station de hele waterkolom bevist. Doordat de hoeveel water die door het net gaat wordt gemeten, kan worden berekend hoeveel haringlarven in een bepaald gebied per kubieke meter water aanwezig zijn. Het stationsnet, dat wordt bevist, is gelijkmatig verdeeld over de gebieden waar de haringlarven voorkomen. Na afloop van de survey kan aan de hand van de verzamelde gegevens een relatieve schatting worden gemaakt van de hoeveelheid aanwezige haringlarven, en daarmee van de hoeveelheid vis die heeft gepaaid.

Resultaten van de haringlarvensurveys op de Noordzee 2014-2015

Het doel van de internationale haringlarvensurveys is het schatten van de aantallen haringlarven in de Noordzee en het Kanaal. De hoeveelheid aangetroffen haringlarven is een maat voor de stand van volwassen haring in de Noordzee. De resultaten van de survey worden gebruikt door de ICES haringwerkgroep bij het maken van een schatting van de paaibiomassa van deze in de herfst en winter paaiende haringpopulaties.

In september wordt door Nederland jaarlijks een twee wekelijkse survey uitgevoerd in de noordelijke en centrale Noordzee. De haring in de zuidelijke Noordzee en in het Kanaal paait in de winter en wordt door Nederland bemonsterd in twee surveys, in december en januari. De surveys worden uitgevoerd sinds 1972. In recente jaren voert Duitsland naast Nederland een survey uit in september en een in januari.

Larvensurveys geven informatie over de hoeveelheid haring die gepaaid heeft maar niet over de nieuwe aanwas van het bestand. In het haringlarven seizoen 2014-2015 waren de weersomstandigheden tijdens de verschillende surveys slecht. Hierdoor zijn tijdens de Duitse survey in september en de Nederlandse survey in januari niet alle geplande stations bemonsterd en zijn de Nederlandse survey in december en de Duitse survey in januari in zijn geheel niet uitgevoerd. Tijdens de uitgevoerde surveys zijn er redelijke aantallen larven gevangen. Om de veranderingen in het aandeel van de verschillende haringpopulaties mee te nemen in de haringlarven index wordt sinds 2011 de SCAI (Spawning-Component Abundance Index) berekend. De SCAI van 2015 is hoog, maar omdat niet alle surveys zijn uitgevoerd is de betrouwbaarheid van de SCAI laag.

De sterke haringstand in de Noordzee heeft de afgelopen jaren een aantal zwakke jaarklassen voortgebracht ondanks het feit dat er veel haringlarven zijn waargenomen in de surveys. De meest waarschijnlijke verklaring is een toegenomen sterfte onder de haringlarven. Over de oorzaak van de sterfte wordt gespeculeerd. Zo wordt gedacht aan een toename van predatoren die haringlarven eten, verandering van watertemperatuur, verandering in zeestromen en verandering van voedsel. De werkelijke oorzaak is echter nog niet vastgesteld en wordt nader onderzocht. Tijdens de surveys wordt daarom extra onderzoek gedaan naar het dieet van de haringlarven en het aanwezige voedsel in de waterkolom.

Herfstpaaiers

De aantallen haringlarven gevangen door de Tridens in september 2014 zijn redelijk maar lager in vergelijking met de aantallen uit 2013. De larven waren groter en verder verspreid in vergelijking met vorig jaar. Water temperatuur beïnvloed de ontwikkeling van de eieren en larven. De bodem temperatuur in september 2014 was 1 graad hoger dan in 2013 en er was weinig instroom van koud Atlantisch water uit het noorden. Door de hogere temperatuur kunnen de larven sneller gegroeid zijn dit jaar, maar de grotere verspreiding dit jaar duidt erop dat de larven langer in zee aanwezig geweest zijn en het paaiseizoen eerder is gestart in 2014.

Winterpaaiers

In december is er vanwege de slechte weersomstandigheden geen survey uitgevoerd. De aantallen larven in januari waren lager dan vorig jaar. De larven waren ook nog niet zover noordelijk verspreid als in 2014. Winter paaiers prefereren een koude temperatuur voor het paaien van eieren; met andere woorden ‘een strenge winter zorgt voor veel haringlarven’. In het Engels Kanaal was de temperatuur hoog, maar vergelijkbaar met vorig jaar, maar in de zuidelijke Noordzee was de bodemtemperatuur 1 graad hoger in vergelijking met vorig jaar.

Figuur 1. De SCAI-index voor de haringlarven op de verschillende paaiplaatsten (OrkShe; Orkney-Shetland; Buchan: oosten van Schotland; Banks: oosten van Engeland; Downs: zuidelijke Noordzee en Kanaal), gepubliceerd door ICES HAWG.
Figuur 1. De SCAI-index voor de haringlarven op de verschillende paaiplaatsten (OrkShe; Orkney-Shetland; Buchan: oosten van Schotland; Banks: oosten van Engeland; Downs: zuidelijke Noordzee en Kanaal), gepubliceerd door ICES HAWG.
Figuur 2. Aantallen larven gevangen in september 2014.
Figuur 2. Aantallen larven gevangen in september 2014.
Figuur 3. Bodem temperatuur in september 2014.
Figuur 3. Bodem temperatuur in september 2014.
Figuur 4.  Aantal larven gevangen in januari 2015.
Figuur 4. Aantal larven gevangen in januari 2015.
Figuur 5. Bodem temperatuur in januari 2015.
Figuur 5. Bodem temperatuur in januari 2015.