Publicaties

Verkenning naar de mogelijkheden van eiwithoudende teelten in Europa

Kamp, J.A.L.M.; Berkum, S. van; Timmer, R.D.; Reeuwijk, P. van

Samenvatting

Het Ministerie LNV is verzocht een verkenning uit te voeren naar de mogelijkheden van de teelt van eiwithoudende gewassen binnen Europa. Deze verkenning richt zich op grondstoffen voor gebruik in diervoeders. De aanleiding van deze vraag (motie Waalkens/Cramer) is gebaseerd op: • de constatering dat de Europese Unie een grootimporteur is van eiwithoudende gewassen; • de wereldwijde groei van de vraag naar eiwithoudende gewassen; • de trage voortgang bij de verduurzaming van de sojateelt; • de afnemende financiële middelen voor de veredeling van eiwithoudende gewassen door de afname van het geteelde areaal. In het WUR rapport naar eiwitvervangers (Kamp et al, 2008) is beschreven dat met name erwten, maar ook veldbonen en lupinen geschikte vervangers zijn. Tevens is berekend dat in West-Europa theoretisch voldoende areaal geteeld kan worden om aan de Nederlandse vraag naar eiwitgrondstoffen te voldoen. De hiervoor benodigde zeer grote areaalverschuiving tussen gewassen is niet realistisch. Zowel het (lagere) saldo van de sojavervangers in combinatie met (hogere) teeltrisico’s voor telers zijn hier debet aan. De West-Europese vraag naar diervoedergrondstoffen is in sterke mate prijsgestuurd. Het voederrantsoen van de dieren wordt geoptimaliseerd naar voersamenstellingen tegen minimale kosten. Dit leidt ertoe dat er een sterke correlatie blijkt te zijn tussen de prijzen van verschillende grondstoffen. Per saldo is niet te verwachten dat voor sojavervangers uit Oost-Europa een betere prijs betaald wordt. In Oost-Europa worden momenteel maar in beperkte mate eiwitgewassen geteeld, die vooral in de eigen regio worden afgezet. Het volume dat thans naar West-Europa wordt geleverd is zeer beperkt. Bovendien blijkt uit een eerste oriëntatie dat de transportkosten van bulkproducten uit Oost-Europa in dezelfde orde van grootte liggen als het bulkvervoer vanuit Zuid-Amerika. Dit leidt niet tot een relatief betere concurrentiepositie voor het Oost-Europese product. Het stimuleren van de teelt van sojavervangers zonder subsidies vereist het interessanter maken van deze gewassen ten opzichte van granen. Voor zowel telers als afzetmarkt moet de kostprijs per kg product van sojavervangers dalen. Dit kan door opbrengstverhoging in combinatie met verlaging van de teeltkosten. Veredeling en teeltonderzoek spelen dan een cruciale rol. Omdat de arealen van deze producten te gering zijn, is niet te verwachten dat veredelaars en teeltonderzoekers hiermee spontaan aan de gang gaan. Bovendien vereist dit een langjarige inspanning om de relatieve achterstand van deze gewassen ten opzichte van graan (de concurrent in bouwplan). Restproducten van 1e generatie biobrandstoffen (met name koolzaadkoek, DDGS) kunnen een belangrijke eiwitbron voor de diervoedersector vormen. Bij ongewijzigd beleid kan deze stroom nog fors groeien. In het eerder genoemde rapport (Kamp et al, 2008) wordt gewezen op het belang van consistent beleid om dit beoogde groei (bijdrage aan EU doelstellingen duurzame biobrandstoffen) te realiseren en indirect een groter volume aan bijproducten voor de diervoedersector beschikbaar te krijgen. Winning van eiwitten uit organisch materiaal (restproducten), bijv. overtollig gras, bietenblad enz. kan in potentie een dusdanig volume aan eiwit opleveren, dat het de import van soja voor een groot deel kan vervangen. Op dit moment is echter nog niet duidelijk of dit proces economisch haalbaar is. Wellicht kan deze ontwikkeling op een termijn van bijv. 5 jaar een deeloplossing bieden voor inperking van de soja-importen.