Publicaties

Monitoring effecten zandsuppletie Leuvenumse beek 2018

Verdonschot, Ralf; Verdonschot, Piet

Samenvatting

In de Leuvenumse beek wordt vanaf 2014 het suppleren van zand als beekherstelmaatregel toegepast door Waterschap Vallei en Veluwe en Natuurmonumenten. Omdat over deze relatief nieuwe maatregel nog niet veel kennis voorhanden is, worden sindsdien de hydromorfologische en biologische ontwikkelingen gevolgd. In 2018zijn metingen verricht aan het profiel van de beekop drie suppletielocaties en is de macrofaunasamenstelling van vijf suppletielocaties onderzocht. Beide zijn herhalingen van al eerder uitgevoerde metingen in 2014-2017, om zo de veranderingen in beeld te krijgen die in gang zijn gezet door het uitvoeren van de maatregelen. Daarnaast is ook de macrofauna van het beekmoeras bovenstrooms van het projectgebied onderzocht, dat in de loop van de jaren vernat is als gevolg van de suppleties.In 2018 speelde het weer een belangrijke rol: hoge afvoerpieken in de winter, zware storm met als gevolg een grote aanvoer van nieuw dood hout en extreme droogte in de zomer en herfsthadden allemaal effect op het beeksysteem. Metingen aan de dwarsprofieltransecten lieten zien dat drie jaar na de laatste suppletie nog steeds zandtransport plaatsvindt. Dit zijn afvoergerelateerde sedimentpulsen(ophoging in het voorjaar, erosie in het najaar), die leiden tot een langzame verplaatsing van zand naar benedenstrooms waar op veel plekken nog steeds ophoging plaatsvindt. Een tweede aanjager van het transport zijn lokale veranderingen van de stromingspatronen in de beek door plotselinge veranderingen in de beek, bijvoorbeeld het invallenvan nieuw dood hout. De macrofaunasamenstelling in de suppletietrajecten week in 2018 af van de eerdere jarenen kenmerkte zich door een grotere variatie in taxonsamenstelling tussen de monsters. Het totaal aantal taxa was daarnaast veel hoger, maar dit werd deels veroorzaakt door het verschijnen van stilstaand-water-soorten die waarschijnlijk profiteerden van de lage afvoer. De meeste kenmerkende beektaxa handhaafden zich, al lieten een klein aantal taxa wel een teruggang zien in de frequentie van voorkomen. Daar stond tegenover dat er ook een aantal kenmerkende soorten nieuw zijn waargenomen in de trajecten in het projectgebiedof zich hadden uitgebreid. Op de suppletielocaties was nog steeds de het eerst gestabiliseerdezone vlakbij de oorspronkelijke suppletieplek het rijkst aan kenmerkende taxa, terwijl de dynamische zone ten opzichte van eerdere bemonsteringen ook een duidelijke stijging in het aantal kenmerkende taxa liet zien met het verouderen van het systeem.Ondanks de veranderde omstandigheden in het beekmoeras ten opzichte van de oorspronkelijke beekloop, met minder stroming en meer waterplanten en organisch materiaal, werdde ecologische kwaliteit als goed beoordeeld op basis van de KRW maatlat voor R5 en zelfszeer goed op basis van de nieuwe moerasbeekmaatlat. Het beekmoeras draagt bij aan de totale biodiversiteit van het stroomgebied omdat er een aantal taxa zijn gevonden die niet op de andere locaties zijn aangetroffen.Het onderzoek laat zien dat het projectgebied drie jaar na de suppleties nog volop in ontwikkeling is; hoe ‘extremere’ jaren zoals 2018 doorwerken op de langere termijn in zowel hydromorfologisch als ecologisch opzicht moet de komende jaren blijken.