Publicaties

Harbour seal monitoring and evaluation for the Luchterduinen offshore windfarm : Final report

Brasseur, Sophie; Schop, Jessica; Cremer, Jenny; Aarts, Geert

Samenvatting

Though it seems unlikely that marine mammals, including seals suffer at a large scale from direct mortality caused by the construction or operation of windfarms at sea, they are likely to be affected by disturbance and habitat alterations.In 2014, Luchterduinen windfarm was constructed in the Dutch coastal zone south west of IJmuiden and the permit (WV/2009-1229) requested monitoring with respect to both harbour and grey seals. Two main questions were formulated:1. How do seals use the coastal zone? The aim was to gain insight in harbour and grey seal movement routes along the Dutch North Sea coastal zone (between the Wadden Sea and the Delta region).2. What is the impact of Luchterduinen on seals? (with a focus on the impact of piling).This rapport discusses the results of the harbour seal studies. The initial monitoring (T0-T1; 2013-2015) based on a series of studies on the movements and habitat use of harbour seals deployed in spring (March), was timed in relation to the construction (2014) and operation of the windfarm. These studies were evaluated after T1 (in 2016). It was concluded that by limiting the study to spring deployments, the harbour seals’ habitat use during a large part of the year was missing. Since harbour seals moult in summer, the trackers attached to the fur typically fell off in June –July. In this study (T2-T3) therefore, a deliberate choice was made to study the behaviour of the seals in the post moult, from September onwards. A total of 18 seals were tracked from September onwards: in 2016 (T2) 6 from the Wadden Sea area and 6 from the Delta and again 6 from the Wadden Sea area in 2017(T3).With longer track durations of 20 to 187 days (mean 106 ± 46 days) in this last study information has been collected covering seven calendar months, six of which had not been studied before in this region. However there was large variation in behaviour, possibly but not solely as a result of the male bias in the sample (11 males, 7 females). Though the maximum and mean distance travelled by the seals was slightly less in autumn, the waters in the study area (i.e. the area off the west coast of the Netherlands enclosed by 51.95°N to 52.94°N, and from the coast offshore to 3.73°E) were used much more extensively by the seals tracked in autumn. In total the seals tracked during T2-T3 spent 27.3% of their time in the defined study area, while during spring deployments for T0-T1, this was only 1.5%. Out of the 18 seals tracked in autumn, 11 were observed in the study area. Interestingly these were animals tagged in the Wadden Sea region. During this time of the year animals are mostly feeding, which probably explains their higher presence in the study area. In contrast, during spring, mostly seals from the Delta crossed the study area en route to their breeding sites in the Wadden Sea. This probably explains the limited amount of time spent in the coastal zone. During the complete Luchterduinen study (T0-T3) comprising of 44 animals in spring and 18 in autumn, only one animal entered the Luchterduinen wind farm area. Its visits were short; which suggests it only crossed the area. Animals tracked during T2-T3 were observed more often in the vicinity of the wind farm, compared to the animals tagged during T0-T1.Based on these studies we concluded that harbour seals use the coastal zone west of North and South Holland to migrate to breeding areas in spring/summer, and use it to feed in autumn and winter. Recently, the recovery of the harbour seals in the Wadden Sea has come to a halt. However, pup production in the Wadden Sea is still increasing, and over two thousand pups are born in the Dutch Wadden Sea each year. Since the population size no longer grows, this suggest that an equal number of individuals die each year. Possibly the population has reached a ‘natural’ carrying capacity. However, human use at sea could also play a role in influencing the survival of individuals and the size of the population. Like other North Sea countries, the Dutch government has shown a clear intention to intensify the use of the marine areas in the near future, for windfarms but also sand mining, traffic and aquaculture. Quite likely this will affect the way the seals use the marine area. Further studies are needed to better understand how habitat changes play a role in the survival of individual animals.---Hoewel het onwaarschijnlijk is dat zeezoogdieren en dus zeehonden op grote schaal direct dodelijke gevolgen ondervinden van de bouw of ingebruikname van windparken op zee, is het hoogstwaarschijnlijk zo dat ze worden beïnvloed door de verstoring en veranderingen in hun habitat.Luchterduinen windpark werd in de Nederlandse kustzone ten zuidwesten van IJmuiden gebouwd in 2014 en de vergunning (WV/2009-1229) vereiste de monitoring van grijze en gewone zeehonden. Twee belangrijke vragen werden gesteld:1.Hoe gebruiken zeehonden de kustzone? Het doel was om inzicht te krijgen in de routes van de gewone en de grijze zeehond gedurende hun aanwezigheid in de Nederlandse kustzone (tussen de Waddenzee en het Deltagebied).2.Wat is de impact van Luchterduinen op de zeehonden? (met een focus op de hei-werkzaamheden)Dit rapport bespreekt de resultaten van de studies naar de gewone zeehond. De eerste monitoring (T0-T1; 2013-2015), gebaseerd op een reeks studies van beweging en habitat gebruik van gewone zeehonden gezenderd in het voorjaar (maart), was getimed in relatie tot de constructie (2014) en ingebruikname van het park. Deze studies werden na de T1 geëvalueerd (2016). Er werd geconcludeerd dat, door de studie te beperken tot het zenderen in het voorjaar, inzicht in het habitatgebruik van de gewone zeehonden voor een belangrijk deel van het jaar ontbrak. Aangezien de dieren in de zomer verharen, verloren ze de op de vacht geplakte zenders gewoonlijk in juni-juli. In de huidige studie (T2-T3) werd daarom een bewuste keuze gemaakt om het gedrag van de gewone zeehonden na de verharing te bestuderen, vanaf september. In totaal werden 18 zeehonden in het najaar gezenderd: in 2016 (T2) 6 in het waddengebied en 6 in het Deltagebied en het jaar erna, in 2017(T3) 6 in het waddengebied.Gemiddeld was de tijd dat de dieren gevolgd werden langer dan in de eerdere studies namelijk 20 tot 187 dagen (gem. 106 ± 46 dagen). In deze studie werd bovendien informatie verzameld over een periode van zeven maanden waarvan één maand overlap vertoonde met de eerder studiesEr was een grote variatie in gedrag tussen de dieren, mogelijk speelde o.a. de scheve geslachtsverhouding van de gezenderde zeehonden hierbij een rol; er werden 11 mannetjes en 7 vrouwtjes gezenderd. Hoewel de gemiddelde en de maximale afstand die de dieren zwommen in de herfst iets lager was, gebruikten de zeehonden in deze periode het studiegebied (ten westen van de westkust van Nederland begrensd door 51.95°N en 52.94°N, en van de kust af tot 3.73°E) veel intensiever. De zeehonden gezenderd in het najaar tijdens T2-T3 besteedden 27.3% van hun tijd in dit gebied, terwijl de dieren gezenderd in het voorjaar voor T0-T1 maar 1.5% van hun tijd hier doorbrachten. Van de 18 zeehonden gezenderd in de herfst werden er 11 in het gebied gezien. Interessant is wel, dat al deze dieren in het waddengebied waren gezenderd. In deze periode van het jaar zijn de dieren vooral aan het foerageren, wat mogelijk deze verspreiding verklaart. In tegenstelling daarmee, waren het vooral de in de Delta gezenderde dieren die in de lente het gebied doorkruisten op weg naar het waddengebied waar ze zich voortplanten. Dit verklaart mogelijk de beperkte tijd dat de dieren in het studiegebied gezien werden. Tijdens de gehele Luchterduinen-studie (T0-T3) met 44 dieren gezenderd in de lente en 18 in de herfst werd er maar één dier in het park zelf gezien. Gezien de korte verblijfsperiode in het park is het waarschijnlijk dat het dier het gebied alleen doorkruist heeft. Tijdens T2-T3 werden er meer dieren in de buurt van het windpark dan tijdens T0-T1.Gebaseerd op deze studies concluderen we dat gewone zeehonden het gebied ten westen van de Noord- en Zuid-Hollandse kust in de lente en zomer vooral gebruiken om te migreren naar de voortplantingsgebieden, en in de herfst en winter om te foerageren. De laatste jaren zijn de getelde aantallen gewone zeehonden in de Waddenzee min of meer gelijk gebleven, terwijl het aantal pups nog steeds groeit. Er worden tegenwoordig jaarlijks meer dan 2000 pups geboren. Aangezien er geen groei is suggereert dit dat er even zoveel dieren jaarlijks sterven. Mogelijk heeft de populatie de “natuurlijke” draagkracht bereikt. Echter menselijk gebruik van de zee zou ook een rol kunnen spelen en de overleving van individuen en de populatiegrootte kunnen beïnvloeden. Net als andere Noordzeelanden heeft de Nederlandse regering een duidelijke intentie getoond om in de nabije toekomst het gebruik van de zee te willen intensiveren voor windparken, en daarnaast ook voor zandwinning, vaarbewegingen en aquacultuur. Het is aannemelijk dat dit de manier waarop de zeehonden de zee gebruiken zal beïnvloeden. Verdere studies zijn nodig om te begrijpen hoe verandering van het habitat van de zeehonden een rol kan spelen op de overleving van individuele dieren.