Publicaties

Case study : DNA van de stad als levende basis voor aanpak klimaatadaptatie : Groen wat kan, grijs wat moet

Timmermans, W.; Goosen, H.; Eijsden, G. van; Gersonius, B.; Roosenschoon, O.R.; Broks, Kees; Dill, S.N.T.; Maas, G.J.

Samenvatting

Van oudsher zoeken we in Nederland onze oplossingen voor water- en klimaatvraagstukken in de techniek. Maar deze aanpak loopt tegen grenzen aan. De oplossingen liggen in een betere aansluiting bij het natuurlijk systeem. Deze transformatieve benadering vraagt om meer samenwerking. De ligging in het landschap maakt elke stad anders. Vergelijk Amsterdam maar met Madrid, of binnen Nederland bijvoorbeeld Gouda met Nijmegen. Steden hebben afhankelijk van hun ligging bepaald andere karakteristieken en daarmee eigen problemen op het gebied van wateroverlast en hitte. Hebben de steden dan niets gemeenschappelijks? Zeker wel. Tot het begin van de jaren vijftig volgde de ontwikkeling van steden in Nederland het onderliggende landschap. Concreet: er werd gebouwd op relatief hoge, droge plekken, de natste moerassen en beekdalen werden gemeden. Nadien veranderde dat. De bevolkingsgroei vroeg om grootschalige woningbouw en de stand der techniek maakte de snelle uitrol over grote gebieden mogelijk, ongeacht het onderliggend landschappelijk systeem(Timmermans, e.a., 2015). Klimaatverandering zorgt er nu voor dat die aanpak tegen zijn grenzen aanloopt. Als gevolg van klimaatverandering krijgen steden te maken met steeds extremere weersomstandigheden, die elkaar ook nog eens snel opvolgen. Plotselinge hoosbuien leiden bijvoorbeeld regelmatig tot forse wateroverlast. Dat water wordt met veel ingenieurskunst snel afgevoerd. Vlak daarna breekt niet zelden een periode van langdurige droogte aan en is er eigenlijk enorme behoefte aan dat net afgevoerde water. Er kan toch meer van dat water in de stad worden opgeslagen; in de bodem, groengebieden of op daken? Daarop richt zich het project ‘DNA van stad en ommeland’.