Project

Voedselketens onder de loep om concurrentiekracht van telers te versterken

De Werkgroep Landbouw & Inkomen (WLI) is bezorgd over het inkomen van agrarische ondernemers en zoekt een antwoord op de vraag hoe de prijs van agrarische producten of bewerkte producten in de supermarkt tot stand komt, hoe in de sector hogere marges gerealiseerd kunnen worden en hoe de positie van primaire producten verbeterd kan worden. Met het antwoord op deze vraag hoopt de WLI dat primaire producenten beter in staat zullen zijn hun onderhandelingspositie te verbeteren.

aard2.jpg

Na afronding van het Wetenschapswinkel-onderzoek voor de varkenskolom (zie rapport 207 Visie op de varkenskolom) is voor de aardappelen-, groenten- en fruitsector (agf-sector) een vergelijkbaar onderzoek uitgevoerd. Hierbij is de aardappelkolom als voorbeeld voor de AGF-sector uitgewerkt (zie rapport 228 Visie op de aardappelkolom).

Aan de hand van desk research, diepte-interviews met relevante stakeholders en analyse van data is het functioneren van de aardappelkolom en de ketenkostprijs geanalyseerd. Hierbij zijn productstromen, concurrentieanalyse, kostprijsopbouw en winstmarges onderzocht. Dit heeft geresulteerd in een beschrijving van de omgevingsfactoren van de kolom, een kwantificering van de kostenstructuur van de verschillende schakels en tot aanbevelingen voor structurele versterking van met name de primaire producenten in de keten.

aard3.jpg

De aardappelmarkt is internationaal, en in West-Europa is sprake van overproductie. Daardoor staan de winsten in de afzetketens onder druk. Een betere organisatie van de ketens met meer samenwerking tussen de verschillende schakels zou moeten bijdragen aan een beter rendement. Maar de bereidheid daartoe lijkt nog niet groot. Door gebrek aan vertrouwen vindt er onvoldoende uitwisseling van informatie plaats en is de organisatie en productie van de keten te weinig vraaggestuurd. Een organisatie die de samenwerking in de keten zou kunnen versterken ontbreekt tot nu toe. Een belangrijke aanbeveling uit het onderzoek is dat de boeren en hun organisaties (de primaire sector) het initiatief voor een dergelijke organisatie zouden moeten nemen.

De aardappel bereikt de Nederlandse consument in allerlei vormen: als tafelaardappel, als versgekoeld product (zoals krielaardappeltjes), als diepvriesproduct (vooral frites) of als chips. Van de 1,8 miljoen ton aardappels en aardappelproducten en die de consument jaarlijks inslaat, bestaat 1 miljoen ton uit diepgevroren producten. Zij worden vooral via de supermarkt afgezet, maar ook via cafetaria's en restaurants en voor een klein deel via speciaalzaken.

Van iedere euro frites die de supermarkt verkoopt komt 20 eurocent terecht bij de boer en van een euro tafelaardappelen is dat ongeveer 23 cent. Maar van een euro besteed aan frites in de snackbar gaat maar 3 tot 7 eurocent naar de boer. De variatie wordt veroorzaakt doordat de prijs per portie frites nogal verschilt. Door inbakverlies en veel handwerk kan de snackbar niet zonder een groter aandeel in de eindopbrengst. Het lijkt misschien alsof er veel geld in de keten tussen boer en consument blijft hangen, maar toch zijn in de meeste schakels van de aardappelketen de winstmarges smal. Meer samenwerking zou kunnen bijdragen aan een beter rendement.

Afronding

2006

Downloads

Opdrachtgever

Werkgroep Landbouw & Inkomen (WLI)

Projectcoƶrdinatie

LEI - Wetenschapswinkel: Elsje Oosterkamp

Uitvoering

LEI - Bas Janssens en Albert Netjes

Financiering

Wetenschapswinkel Wageningen UR

Werkgroep Landbouw & Inkomen

LNV programma 433 Ondernemerschap