Vleeskalveren

Project

Alternatieve vloer voor vleeskalveren

In dit project worden de effecten van alternatieve vloertypen op het welzijn van vleeskalveren onderzocht.

Er zijn aanwijzingen dat bestaande vloeren in de vleeskalverhouderij verbetering behoeven vanuit het oogpunt van het welzijn van de kalveren.

Aanleiding voor dit onderzoek is de motie van der Vlies, Ormel, Snijder-Hazelhoff en Graus, die is ingediend in reactie op de nota Dierenwelzijn waarin staat dat per 1 januari 2009 vloeren voor vleeskalveren voorzien moeten zijn van rubber matten. In deze motie staat dat er eerst grootschalig praktijkonderzoek moet komen naar alternatieve vloertypen, en dat op basis van de resultaten van dit onderzoek een besluit kan worden genomen over het verplicht stellen van rubber matten of andere vloertypen in de vleeskalverhouderij.

Doelstelling van dit project is om onder praktijkomstandigheden een alternatief vloertype te identificeren dat beter is voor het welzijn van de kalveren dan de huidige vloeren, i.c. houten lattenbodems in de blankvleeshouderij en betonnen roosters in de houderij van rosékalveren.

Onderzoek

Onderzoek

Onderzoek in 2 fasen

Het onderzoek is in 2 fasen onderverdeeld. Fase 1 is inmiddels afgerond. In deze fase zijn verschillende vloertypen (4 voor blankvlees en 5 voor rosé) op 4 vleeskalverbedrijven (2 blankvlees en 2 rosé) op kleine schaal uitgetest. In deze fase fungeerde hok als experimentele eenheid en het accent van de waarnemingen lag op gedrag, ligcomfort, bevuiling (aan het levende dier), bezoedeling  (van karkas na slachting) en de gezondheidstoestand van klauwen en gewrichten. Na deze fase zijn per houderij 2 vloertypen geselecteerd voor verder onderzoek in de tweede fase. Voor zowel blankvlees als rosé gaan de vloeren ICE en Easyfix door naar de tweede fase van het onderzoek.

Het onderzoek in fase 2 is grootschaliger van karakter, en wordt uitgevoerd op vleeskalverbedrijven in de praktijk. De tweede fase fungeert als ‘lakmoesproef’ en is het sluitstuk van het onderzoek. Het onderzoek moet een duidelijk antwoord geven op de vraag of een alternatieve vloer in vergelijking met het huidige vloertype, beter is voor het welzijn van vleeskalveren. Waarnemingen in fase 2 vallen in de volgende onderdelen uiteen: gedrag, klinische gezondheid, pathologie (post mortem onderzoek), bevuiling (van het levende dier) en bezoedeling (van het karkas na slachting en behandelingen met diergeneesmiddelen.

Daarnaast moet het onderzoek inzicht geven in de effecten van alternatieve vloertypen op ammoniakemissie, stalklimaat, technische prestaties van vleeskalveren en de bedrijfseconomische consequenties. De beide alternatieve vloeren (zonder afdichtende flappen) worden binnen praktijkbedrijven afdelingsgewijs aangebracht. Dit betekent één vloertype in een volledige afdeling in alle hokken.

Resultaten

Bedrijven uit de praktijk

Het onderzoek wordt uitgevoerd op tien bedrijven met blankvleeskalveren en tien bedrijven met rosévleeskalveren. Het onderzoek vindt plaats gedurende drie ronden, waarbij op de rosébedrijven alleen de zogenaamde afmestfase wordt meegenomen. Het onderzoek wordt uitgevoerd met stierkalveren. Het is echter denkbaar dat een vloertype anders uitwerkt op de sexe van het kalf. Aan de proefopzet zijn daarom twee demonstratieafdelingen per alternatieve vloer toegevoegd met alleen vaarskalveren (één blank en één rosé). De emissiemetingen worden uitgevoerd volgens een erkend meetprotocol op twee bedrijven (één blank en één rosé). De alternatieve vloeren worden zowel met als zonder afdichtende flappen in de roosterspleet bemeten. Van deze flappen wordt verwacht dat ze de roostervloer afsluiten, wat de emissie vanuit de kelder beperkt.

In het onderzoek wordt gebruik gemaakt van bedrijven uit de praktijk. Om de investeringen (het aanleggen van de alternatieve vloertypen) te ondersteunen wordt per 1 augustus 2012 een artikel 68 regeling binnen het Europees gemeenschappelijk landbouwbeleid opengesteld.