Nieuws

Beschermde natuurmonumenten hebben een onzekere status maar een belangrijke functie

Gepubliceerd op
7 april 2011

Ruim 3400 hectare wettelijk beschermde natuur valt buiten de grenzen van het Natura 2000-netwerk.

Het gaat om 64 'Beschermde natuurmonumenten', beschermd via artikel 16 van de Natuurbeschermingswet. Bijzondere gebieden, die in belangrijke mate bijdragen aan de internationale doelstellingen voor het behoud van biodiversiteit. Dat concludeert Alterra, onderdeel van Wageningen UR, in een zojuist gepubliceerd onderzoek. Het kabinet is voornemens om de wettelijke status van deze Beschermde natuurmonumenten te schrappen.

Eind 2010 heeft Alterra in opdracht van het ministerie van EL&I onderzoek verricht naar de stand van zaken en bescherming van de Beschermde natuurmonumenten. Centraal stond de vraag of voor de bescherming van de natuurwaarden in deze gebieden kan worden volstaan met het ruimtelijk beschermingsregime van de Wet ruimtelijke ordening of dat een aanvullend wettelijk regime nodig is.

Als eerste is gekeken naar de actuele natuurwaarden in deze gebieden. Inzicht hierin ontbrak en dit onderzoek brengt hier duidelijkheid in. In 57 gebieden komen waarschijnlijk habitattypen voor uit Annex I van de Habitatrichtlijn (soorten en habitattypen van Europees belang). Daarvan dragen 43 gebieden waarschijnlijk bij aan de instandhouding van twaalf habitattypen die landelijk in een ongunstige staat verkeren. Er zijn zeven habitattypen waarvoor het voorkomen in Beschermde natuurmonumenten een zeer belangrijke aanvulling is op het voorkomen binnen Natura 2000-gebieden. Het gaat daarbij om heischrale graslanden, blauwgraslanden, actieve hoogvenen (heideveentjes), overgangs- en trilvenen, kalkmoerassen, eiken-haagbeukenbossen en vochtige alluviale bossen. Een aantal gebieden vervult ook een belangrijke rol bij het behoud van specifieke soorten van Annex II en IV van de Habitatrichtlijn, zoals de Kamerikse Nessen, Ham en Crommenije, Waterland Varkensland, Waterland Aëen en Diëen, Polder Ceres en Oeverlanden Braassemermeer voor de noordse woelmuis, Delleburen voor de oostelijke witsnuitlibel, Kruisdijk voor de boomkikker, enkele heideterreinen in het Gooi als vindplaats van de zandhagedis en Hoge Fronten voor de muurhagedis.

Vervolgens is onderzoek gedaan naar beheer en eigendom van de terreinen en ligging ten opzichte van de Ecologische Hoofdstructuur om uitspraken te kunnen doen over de planologische bescherming. De onderzoekers concluderen dat de meeste Beschermde natuurmonumenten binnen de EHS vallen en zodoende een bestemming bos of natuur hebben. Deze planologische bescherming is in principe voldoende, maar niet altijd afdoende. Planologische borging biedt alleen bescherming tegen directe ruimtelijke ingrepen en niet tegen wijzigingen in de omgeving, zoals stikstofdepositie of wijzigingen in de waterhuishouding. Dit is met name een belangrijk aandachtspunt voor kleine terreinen met waardevolle vegetaties die grondwaterafhankelijk en/of voedselarm zijn. Bovendien vervalt de bescherming tegen externe bedreigingen.

De conclusie van het onderzoek luidt dan ook dat de beschermende werking via de status van EHS-gebied in zowel maatschappelijk als juridisch opzicht minder hard is dan de beschermende werking van de Natuurbeschermingswet. Voor een optimale bescherming is aanvullend beleid noodzakelijk. In het onderzoekrapport worden hiervoor suggesties gedaan.

Op 20 april vindt een algemeen overleg met de Tweede Kamer plaats over onder andere de Beschermde natuurmonumenten. In een brief aan de Tweede Kamer van 23 februari j.l. schreef staatssecretaris Bleker dat het verantwoord is de gebiedscategorie van Beschermde natuurmonumenten te schrappen, omdat de gebieden via het planologisch regime beschermd worden.