Boer en bodem: is er een economisch probleem?

Boer en bodem: is er een economisch probleem?

Opinie

Boeren zijn mensen met gevoel voor humus. Het internationale jaar van de bodem, dat de FAO voor 2015 heeft uitgeroepen, legt daar nog eens de nadruk op. Grond en grondprijzen hebben altijd al de aandacht van boeren (en economen) gehad. Grond in Nederland is schaars en dat leidt tot hoge grondprijzen, die aanzetten tot intensief gebruik. Dat is op zich niet verkeerd: zo wordt de grond ingezet voor de producten die we het hardst nodig hebben.

In het jaar van de bodem gaat het echter vooral om de bodemkwaliteit. De bodem is een duurzaam productiemiddel, waar ook toekomstige generaties nog gebruik van moeten maken. Willen we de groeiende wereldbevolking kunnen blijven voeden, dan is instandhouding van de bodemkwaliteit noodzakelijk. Deskundigen zijn het er echter steeds meer over eens: de kwaliteit van de bodem holt achteruit en bedreigt de toekomst van de Nederlandse landbouw.

Geen probleem?


De opgave lijkt simpel: een goede en gezonde bodem draagt bij aan hogere opbrengsten en is dus in het directe belang van de boer. Critici vragen zich dan ook af wat er mis gaat: waarom kunnen boeren niet zelf zorgen voor de aan hen toevertrouwde bodem? Zij weten als geen ander wat de kwaliteit van hun humuslaag is, of ze niet teveel structuurbederf veroorzaken, risico’s nemen op de insleep van aaltjes en hun bouwplan te intensief maken. Zij zijn ook de eersten die zien dat het mis gaat en maatregelen moeten nemen – de afzetorganisaties, de overheid of de verpachter zitten er minder dicht bovenop. En als het fout gaat, dan is het ook de boer die op de blaren zit: die ziet zijn opbrengsten teruglopen of zijn grond in waarde dalen.

Boeren hebben dit ook begrepen: met steun van de overheid investeert de agrarische sector al flink in het verbeteren van inzicht in bodem-plant interacties en in het ontwikkelen van methoden en technieken om de bodemkwaliteit te beschermen en verbeteren. Voorbeelden zijn de introductie van rijpaden en precisietechnieken. Boeren en ketenpartijen werken steeds meer samen aan verbetering van de bodem; zo is er in de akkerbouw Stichting Veldleeuwerik die met steun van de industrie een duurzame akkerbouw nastreeft en goed bodembeheer hoog in het vaandel heeft staan. Interessant is dat de kwaliteit van de bodem via analyses van grondlaboratoria steeds beter meetbaar wordt, en dat dit ook vertaald kan worden in afspraken tussen pachters en verpachters. Al met al lijken er tal van maatregelen en technieken voorhanden om bodemkwaliteit in stand te houden of te verbeteren.

Of faalt de markt?


Het feit dat bodembeheer sterk in de belangstelling staat wil echter niet zeggen dat er geen problemen zijn. Slechts een beperkt deel van de beschikbare maatregelen en technieken wordt momenteel op grote schaal in de praktijk toegepast. Dat komt niet (alleen) door een gebrek aan kennisoverdracht of bewustwording. Onderzoek wijst uit dat veel agrarische ondernemers het belang van bodemkwaliteit inmiddels wel op hun netvlies hebben staan. Een minstens zo belangrijke factor is het feit dat de effecten van bodembeheer bedrijfsoverstijgend zijn en de markt niet altijd goed werkt.

Eerst het aspect van de marktwerking. Idealiter vertaalt een goede bodemkwaliteit zich in een hogere grondprijs. In de praktijk blijkt echter dat de kwaliteit van grond, ondanks alle laboratoria-uitslagen, niet goed waarneembaar is. Grond kan niet alleen bont zijn (en je kunt niet overal bemonsteren), grond heeft ook geen paspoort dat de kwaliteit aanduidt. Dat is niet alleen lastig voor boeren die grond huren, maar ook voor loonwerkers die de kans op verspreiding van aaltjes willen verkleinen door bijvoorbeeld met hun machines eerst op schone grond te werken en daarna op besmette percelen. Overigens is zo’n paspoort niet per definitie een oplossing: het brengt kosten met zich mee en kan er ook toe leiden dat mensen niet meer bemonsteren of nog meer dan nu op schone plekken “laten prikken”. Een ander aspect hierbij is dat er geen inzicht is in wat de economische meerwaarde van goede grond dan is; met andere woorden, de kosten zijn helder, de baten niet.

Die onbekendheid met de prijsvorming op de grondmarkt zie je ook terug in de discussie over mogelijke effecten van de ontwikkelingen in de grondmarkt zoals de kortlopende pacht, welke een steeds meer voorkomende vorm van gebruiksrecht is geworden. Beweerd wordt wel dat de hoge pachtprijzen voor kortlopende pacht juist hoge opbrengsten op de korte termijn stimuleren en funest zijn voor goed bodembeheer. Maar evenzeer zijn er legio voorbeelden van akkerbouwers die voor hun intensiefste teelten zoals zilveruien of pootaardappelen elders, bv. bij veehouders, grond huren – eerder een voorbeeld van gezond bodembeheer. Over de effecten van de grondmarkt op bodemkwaliteit bestaan dan ook nog veel vragen, al is er duidelijk sprake van samenhang.

Gezamenlijke opgave


Verbetering van de bodemkwaliteit is vaak een kwestie van een lange adem. En hoewel de lage rentestand boeren aanzet om meer rekening te houden met de langere termijn, ligt daar mogelijk toch ook een knelpunt. Het rendementsdenken is ook in de landbouw sterker geworden. De trend naar meer kortlopend gebruik van grond maakt het moeilijker om investeringen in bodemkwaliteit terug te verdienen, waardoor de baten ten goede komen aan een toekomstige gebruiker van de betreffende grond. Ook in ruimtelijke zin is bodembeheer bedrijfsoverstijgend. Denk bijvoorbeeld aan de effecten van stuiferosie op omliggende percelen of de relatie tussen nutriëntenmanagement en waterkwaliteit. Investeringen in bodemkwaliteit zijn dus niet altijd (uitsluitend) in het belang van de ondernemer. En ook: één knoeier kan het voor veel aanpalende percelen verpesten.

Het zijn niet alleen boeren onderling die belang hebben bij een duurzaam bodembeheer. Het geldt ook voor afnemers die hun fabrieken over 15 jaar nog rendabel van grondstof willen voorzien.Voor loonwerkers die hun machines voor die teelt willen blijven exploiteren. Voor grondeigenaren die een aantrekkelijke pacht voor hoog-salderende gewassen willen hebben of voor financiers die de waarde van het onderpand in stand willen houden. Kortom, dit is een collectieve opgave, waarin boeren, grondeigenaren, loonwerkers, adviseurs, financiers, beleidsmakers en andere betrokkenen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben. Maar hoewel alle partijen hun rol hierin erkennen, blijft het vooralsnog bij goede voornemens.

Bodem(beheer) in balans


De kosten en baten van bodembeheer verschillen van elkaar in tijd en ruimte. Hierdoor is bodembeheer, vanuit de economische belangen van de boer bezien, per definitie suboptimaal. Voor een structurele oplossing is een herinrichting van het systeem van grondgebruik en grondruil nodig. Het systeem moet zo ingericht worden dat boeren en anderen de juiste prikkels krijgen om optimaal te handelen. Daarbij moeten we accepteren dat de betrokken partijen, naast een gemeenschappelijk doel, ook conflicterende belangen op de korte termijn hebben. Grondeigenaren zijn gebaat bij een hoge pachtprijs, wat boeren stimuleert het uiterste uit hun grond te halen. Telers van uitgangsmateriaal willen maagdelijke grond, maar transparantie hierin legt ook de minder goede percelen bloot. En voor veehouders speelt naast bodemkwaliteit het belang van mestafzet. Zo’n systeem-aanpak kan dan ook het best regionaal worden opgepakt. Situaties verschillen sterk qua bijvoorbeeld agrarische activiteit en grondgebruik, en implementatie berust deels op impliciete (niet-gecodificeerde) kennis die aanwezig is in een gebied.

Een systeem waarin kosten en baten in balans zijn – zowel op korte versus lange termijn als voor het bedrijf versus zijn omgeving – vereist dat bodemkwaliteit meetbaar en communiceerbaar is. Het ontwikkelen van een dergelijk instrumentarium is dan ook een must. Daarnaast kan de marktwerking verder worden verbeterd door het implementeren van stimulansen voor duurzaam bodembeheer. Dat kunnen (wettelijke) regels zijn voor bijvoorbeeld pacht, huur of melding van schadelijke organismen, maar ook gemeenschappelijke afspraken over aanscherping van goede landbouwpraktijken zoals het schoonspuiten van machines of vrijwillige grondbemonstering.

Eerste prioriteit is echter dat alle betrokken partijen hun gezamenlijke verantwoordelijkheid erkennen en de juiste vragen durven stellen, gericht op de toekomst. Dat vereist ook verbinding van disciplines: van een puur technische benadering (“hoe kan ik op dit perceel prei blijven telen”) of economische benadering (“hoe blijft dit perceel betaalbaar voor preiteelt”), naar een integrale benadering: “is preiteelt op dit perceel wenselijk?”. Daarmee creëren we letterlijk en figuurlijk een vruchtbare bodem voor de Nederlandse landbouw.

Re:acties 1

  • sparenberg

    Interessant artikel, maar lijkt ook een onoplosbaar probleem aan te snijden. Ben benieuwd hoe het afloopt!

    Reageer

Re:ageer