Boerenadvies: Observeeer gedrag van dragende zeugen tijdens het voeren

Boerenadvies: Observeer gedrag van dragende zeugen tijdens voeren

Kijk eens naar het gedrag van je dragende zeugen zowel voor, tijdens als na het eten. Doe dit bij voorkeur samen met je voorlichter of dierenarts!

Voor dragende zeugen in de vroege dracht is niet alleen een gegarandeerde en een constante voeropname van belang maar ook een voldoende hoog verzadingsniveau.

Dragende zeugen kunnen bij onbeperkt voeren 4 tot 7 kg voer per dag opnemen. De voergift tijdens de dracht is op de meeste bedrijven lager dan de opnamecapaciteit van de zeug omdat de zeugen anders vervetten. Zowel de voergift als de samenstelling van het voer spelen een rol bij het verzadigingsgevoel van de zeugen. Wanneer de zeugen onvoldoende verzadigingsgevoel hebben kan dit resulteren in:

  • (chronische) stress. Dit heeft een negatieve invloed  op de innesteling van de embryo’s. Stresshormonen beïnvloeden drachthormonen en daarmee de embryonale sterfte;
  • agressie bij zeugen die restvoer gaan zoeken. Hierdoor neemt de kans op beenproblemen toe;
  • afwijkend, stereotiep gedrag zoals looskauwen. 

Hoe weet u nu of uw zeugen voldoende verzadigd zijn? Vooral door eens de tijd nemen om goed te kijken naar het gedrag van de zeugen voor, tijdens en na het voeren. 

  • Is er voor de voerstart al veel activiteit en agressie?
  • Hoe verloopt het voerproces? Krijgen alle zeugen voldoende snel de gewenste hoeveelheid voer?
  • Zijn de zeugen na het voeren verzadigd of zijn ze nog erg onrustig en gaan looskauwen of stangbijten?
  • Zijn er veel restvoerjagers?

Het advies is om dit ‘kijken’ samen met je voorlichter of dierenarts te doen, want zij kunnen het gedrag vergelijken met andere bedrijven. Immers bedrijfsblindheid kan een rol spelen bij het beoordelen van het gedrag.

Hoe kan ik het verzadigingsniveau van de zeugen beïnvloeden?

Ruwvoer

Het verstrekken van ruwvoer aan dragende zeugen kan bijdragen aan het verzadigingsgevoel zonder dat de energiegift sterk wordt verhoogd. Sinds een aantal jaren is het daarom verplicht aan guste en drachtige zeugen en gelten een toereikende hoeveelheid bulk- of vezelrijk en energierijk voer te verstrekken. Dit zorgt voor een betere verzadiging van de zeugen en voorziet in de behoefte tot kauwen. Een aantal jaren geleden zijn een aantal praktische handvatten geformuleerd om hieraan te voldoen.

Deze zijn:

  • Minimaal 100 g per dag lang, droog ruwvoer: niet gemalen hooi of stro.
  • Minimaal 250 g droge stof per dag van ingekuild ruwvoer: snijmaïs, gras, bietenperspulp, bierbostel en aardappelvezels.
  • Minimaal 250 g per dag kort, droog ruwvoer: grasbrok of -meel, luzernebrok of -meel, strobrok, graszaadbrok, bietenpulp en snijmaïsbrok.
  • Minimaal 250 g per dag van overige enkelvoudige droge voedermiddelen met minimaal 500 g NSP/kg.
  • Vezelrijk mengvoer (meelvorm of pellets) met minimaal 140 g RC/kg of 340 g NSP/kg. Brijvoerrantsoenen met gefermenteerde of aangezuurde, vochtrijke bijproducten moeten minimaal 365 g NSP per kg droge stof bevatten.

Aantal voerbeurten per dag

Bij dragende zeugen die gevoerd worden via een voerstation, wordt geadviseerd de zeugen éénmaal daags te voeren. Zeugen gevoerd via voerligboxen met uitloop, een lange trog of vloervoedering kunnen één- of tweemaal daags gevoerd worden. In de literatuur zijn geen verschillen gevonden tussen zeugen die één of tweemaal daags gevoerd worden. In de praktijk geven sommige bedrijven aan dat de zeugen rustiger zijn als ze éénmaal daags gevoerd worden. Ook wordt soms geadviseerd om het voer in twee voerbeurten te verstrekken waarin de tijd tussen de twee voerbeurten ca. een 1 uur is. De zeugen zouden zich hierdoor beter verzadigd voelen.