Bovine virale diarree

Bovine Virale Diarree (BVD) is een virusziekte bij voorkomt bij kalveren en koeien (runderen) en wordt  veroorzaakt door het Bovine Virale Diarree Virus (BVDV).  De ziekte werd voor het eerst beschreven in 1946 en vervolgens binnen enkele jaren wereldwijd aangetoond. Omdat BVD als een economisch belangrijke virusziekte wordt onderkend, worden in toenemende mate initiatieven ontwikkeld om regio’s en landen vrij te maken van deze ziekte. Ook in Nederland is een bestrijdingsprogramma in voorbereiding. In 2017 moet de landelijke aanpak BVD van start gaan.

Ziekteverwekker

Het bovine virale diarree-virus (BVDV) wordt gegroepeerd in het genus pestivirus en is nauw verwant de virussen die klassieke varkenspest (KVP) en borderdisease veroorzaken.

Situatieschets

In 1998 is in Nederland een BVD-bestrijdingsprogramma opgezet door de GD. Dit programma is gebaseerd op het opsporen en afvoeren van BVD-dragers. Bedrijven kunnen vrijwillig aan het programma deelnemen en na verloop van tijd BVD-vrij verklaard worden. Ongeveer een kwart van alle melkveebedrijven is inmiddels gecertificeerd vrij. Acht procent van de deelnemende de bedrijven heeft BVD-onverdacht status.

Ziektebeeld

BVDV-infecties geven een grote verscheidenheid aan klinische beelden: van sluimerende langdurige gezondheidsproblemen tot abortusuitbraken en acute sterftegevallen in een koppel kalveren of koeien.  

Acute BVDV-infecties in volwassen koeien veroorzaken veelal geen tot milde klinische verschijnselen, maar kunnen wel leiden tot melkproductiedaling, luchtwegaandoeningen, tijdelijke algehele weerstandsvermindering of diarree. Een kortdurende (transiënte)  infectie leidt meestal tot korte viraemie en virusuitscheiding. 

Een infectie van een naïef (geen specifiek immunologisch geheugen tegen BVDV) drachtig rund, leidt tot een transplacentale infectie van de foetus. De gevolgen van infectie zijn daarbij onder meer afhankelijk van de leeftijd van de foetus. Een transplacentale infectie voor circa de 120e dag van de dracht kan tot de geboorte van een persistent geïnfecteerd kalf leiden. In deze persistent geïnfecteerde kalveren wordt het virus niet als lichaamsvreemd herkend waardoor er ook geen specifieke afweerstoffen tegen het virus aangemaakt. Deze dieren kunnen er klinisch normaal uitzien en blijven levenslang grote hoeveelheden virus uitscheiden; zij zijn de belangrijkste verspreiders van het virus.

Een acute BVDV-infectie in vlees- en fokkalveren leidt veelal tot serieuze luchtwegproblemen en tijdelijke algehele weerstandsvermindering, die vervolgens weer gepaard kan gaan met andere gezondheidsproblemen. 

Verspreiding / tranmissie

In de verspreiding van BVDV kunnen naast runderen  (persistent-geïnfecteerde kalveren, Trojaanse koeien en kortdurend-geïnfecteerde koeien en kalveren) ook boeren, burgers en erf-betreders (beroepshalve bezoekers, w.o. dierenartsen, voerleveranciers, medewerkers van de KI en handelaren)  een rol spelen.  

Persistent geïnfecteerde kalveren lijken de belangrijkste bron van infectie en een cruciale rol te spelen in de verspreiding van het virus. Koeien die drachtig zijn van een persistent geïnfecteerd kalf, kunnen - zoals bij het binnenhalen van het paard van Troje - bij aankoop en na afkalven voor een BVDV-introductie op een bedrijf zorgen. Kortdurend geïnfecteerde runderen (koeien en kalveren) scheiden gedurende ongeveer een week infectieus (besmettelijk) virus uit en kunnen op die manier door direct contact koppelgenoten besmetten.

De mens ten slotte kan door contact met besmette, veelal persistent geïnfecteerde (drager), dieren en daarna contact met gevoelige dieren het virus overdragen via handen of besmette materialen.

Diagnostiek

Voor het aantonen van BVD-virussen is virusisolatie (viruskweek) de gouden standaard, maar deze wordt zelden uitgevoerd in routinelaboratoria.

Er zijn diverse diagnostische testen om BVDV aan te tonen. Met een PCR-test kan virus bij persistent en transiënt geïnfecteerde kalveren aangetoond worden. Antigeen ELISA’s zijn bruikbaar om persistente infecties aan te tonen, maar zijn vermoedelijk minder geschikt zijn om transiënte infecties aan te tonen. Met serologie kunnen transiënt geïnfecteerde dieren geïdentificeerd worden. De methode is niet geschikt om persistent geïnfecteerde kalveren te identificeren. De aanwezigheid van maternale afweerstoffen kan de diagnostiek via serologie moeilijk of onmogelijk maken. Maternale afweerstoffen kunnen voor fout-negatieve uitslagen van antigeen ELISA en virusisolatie bij jonge kalveren (diagnostic gap) zorgen.

Diagnostische testen

Zie voor testen:

Preventie en controle

Sinds 1998 kent Nederland verschillende BVD-bestrijdingsprogramma’s; hieraan kunnen veehouders op vrijwillige basis deelnemen. De bestrijdingsprogramma’s hebben tot doel om zo snel mogelijk BDV-dragerdieren op te sporen, besmette dieren af te voeren en BVD-vrije bedrijven te vrijwaren van herinfecties. Met een oorbiopt-test kunnen dragerkalveren direct na de geboorte opgespoord worden; deze test wordt succesvol toegepast bij de BVD-eradicatie in Zwitserland, Oostenrijk en Duitsland.    

Vaccineren tegen BVD kan zinvol zijn op melkveebedrijven, maar zou idealiter Behet opsporen en verwijderen van dragers moeten gebeuren. Positieve gevolgen voor een bedrijf van vaccinatie kunnen zijn: verlaging van de infectiedruk (verminderen van de virusuitscheiding), vermindering van de klinische problemen (waaronder luchtwegproblemen, fertiliteitsproblemen, abortus en aangeboren afwijkingen) en de reductie van het aantal persistent geïnfecteerde kalveren (door reductie van transplacentaire transmissie, overdracht van moeder koe naar ongeboren kalf tijdens de dracht).

Vaccineren tegen BVD op een vleeskalverbedrijf is een optie, maar lijkt in de praktijk lastig omdat luchtwegproblemen vanwege een BVDV-infectie kort na aankomst van de relatieve jonge (2 tot 8 weken oude) kalveren optreden. De meeste vaccins hebben enkele (twee tot zes) weken nodig om een beschermende immuunrespons te induceren.

Bedrijfsmaatregelen
Naast diagnostiek en vaccinatie, met als doel het reduceren van de infectiedruk, klinische problemen en dragerkalveren op een bedrijf, zijn managementsmaatregelen noodzakelijk. Hierbij zou men kunnen denken aan hygiënebarrières bij binnenkomst op het bedrijf en tussen de jongveeafdeling, de melkgevende en droogstaande koeien stal(len) voor alle bezoekers.

Bestrijding    

Bij de bestrijding richt de veehouder zich op het opsporen en afvoeren van dragerdieren. Daarnaast kan vaccineren en daarmee beschermen van niet-besmette dieren overwogen worden. Met de vaccinatie van gevoelige dieren vermindert de ernst van een eventuele infectie na (her)introductie: mogelijk geïnfecteerde gevaccineerde dieren worden minder ernstig ziek, scheiden minder virus uit en de kans wordt kleiner dat er overdracht plaatsvindt van moederkoe naar het ongeboren kalf. Na vaccinatie worden kalveren op vleeskalverbedrijven minder ernstig ziek door een BVDV-infectie. Tenslotte zullen adequate beheersmaatregelen moeten bijdragen aan een verantwoord en bewust omgaan met risico’s op het bedrijf.

Bestrijding BVD