Nieuws

De ‘geboorte’ van spieringeitjes

Gepubliceerd op
7 april 2011

IMARES, onderdeel van Wageningen UR, is erin geslaagd volwassen spiering (Osmerus eperlanus) uit het IJsselmeer en Markermeer te laten paaien onder laboratorium-omstandigheden.

babys_spieringeitjes.jpg

Dit is met deze soort nog niet eerder gelukt in Nederland, en voor zover bekend ook niet in de rest van Noord-Europa (het leefgebied van de Europese spiering). Het belang van het experiment is om te kunnen zien welke invloed temperatuur heeft op de ontwikkelingssnelheid van spieringeitjes. Deze kennis kan inzicht geven in de gevolgen van het mismatchen van spieringlarven met hun voedsel.

Als de larven te vroeg uitkomen is er geen of weinig voedsel beschikbaar. Dan zou een groot deel van de larven sterven, wat impact heeft op de spieringstand van dat jaar en het erop volgende jaar. Ook ontstaan er problemen als de eitjes op een later tijdstip uitkomen. Als spieringlarven niet genoeg tijd krijgen om snel te groeien kunnen zij hun predatoren niet ontgroeien. Een goed getimede start is dus van levensbelang voor deze kleine larfjes om te kunnen overleven tot na hun eerste groeiseizoen.

Spieringproject

Het spieringproject maakt onderdeel uit van het project Autonome Neerwaartse Trends (ANT), dat voortkomt uit de Natura-2000-richtlijnen. Het spieringproject is vervolgens in het leven geroepen om de vogels uit het IJsselmeer- en Markermeergebied te beschermen. Spiering vormt voor veel vogelsoorten – zoals o.a. de Visdief, Stern, zaagbek en fuut – een belangrijk onderdeel van hun dieet. Door de terugloop van hun hoofdprooi is de laatste twee decennia ook het aantal vogels teruggelopen. In het spieringproject zoekt IMARES uit hoe deze neerwaartse trends, van vogels en vissen, zijn ontstaan en wat we er wellicht aan kunnen doen.