Oplossing

Een paddenstoel beoordelen blijft mensenwerk

Ruim 15.000 paddenstoelenvormende schimmels liggen in vloeibare stikstof veilig opgeslagen op Wageningen Campus. José Kuenen is belast met de instandhouding van deze omvangrijke collectie. Voor iedere onderzoeker of teler die materiaal uit de collectie nodig heeft, is zij het eerste aanspreekpunt. Volgens insiders ziet zij als geen ander hoe een paddenstoel zich gaat ontwikkelen.

Op het moment dat er een soort met afwijkingen binnenkomt, duiken wij de collectie in en zoeken we een vergelijkbaar soort. Dat levert telers een enorme tijdswinst op.
José Kuenen, paddenstoelenonderzoeker bij WUR

Al sinds 1977 is José Kuenen onderzoeksassistente. Toen het Proefstation voor de Champignonteelt in 2006 van Horst naar Wageningen verhuisde, ging zij mee. “In de begintijd voerden we veel experimenten uit voor telers die op zoek waren naar nieuwe champignonrassen. Zo is ook het beroemde U1-ras ontstaan; de bolle, stevige champignon waar jarenlang mee is geteeld. ‘We krijgen nooit meer een betere dan deze’, zei ik toen.”

“Je moet er gevoel voor hebben”

In de jaren 80 werd de kwaliteit van gekweekte paddenstoelen nog volledig met het menselijk oog beoordeeld. In de loop van de jaren heeft technologie een deel van de screening overgenomen. Maar volgens Kuenen moet je toch echt met je eigen ogen zien hoe een paddenstoelensoort eruitziet voordat je besluit deze op de markt te brengen. Haar blik is haarscherp: “Je moet er gevoel voor hebben; ik zie tijdens de groei al heel snel of er zich een afwijking vormt. Ook voor het prepareren van het broed waarop de paddenstoelen groeien, moet je gevoel hebben. Je moet precies zien wat het juiste moment is om het broed te gebruiken. Kook je het broed te lang, dan komt er zoveel zetmeel vrij dat je er niet meer mee kunt werken. Dat valt niet met apparatuur te meten.”

Je moet er gevoel voor hebben; ik zie tijdens de groei al heel snel of er zich een afwijking vormt.
Je moet er gevoel voor hebben; ik zie tijdens de groei al heel snel of er zich een afwijking vormt.

Voor onderzoekers die cultures uit de collectie nodig hebben, is Kuenen het eerste aanspreekpunt. “Als zij een bepaalde schimmel nodig hebben, haal ik een stukje daarvan uit het stikstof en laten we die groeien. Zodra het goed is, geef ik dat door aan de onderzoeker. Dit systeem met stikstof gebruiken we al sinds 2006. In mijn begintijd werden alle cultures nog op buizen in een gekoelde ruimte bewaard. We moesten al het materiaal toen nog elk jaar overenten. Dat hoeft tegenwoordig gelukkig niet meer.” 

Afwijkingen

Ook telers die tijdens de teelt met afwijkingen te maken krijgen – wat nogal eens gebeurt – komen bij Kuenen terecht. “Op het moment dat er een soort met afwijkingen binnenkomt, duiken wij de collectie in en zoeken we een vergelijkbaar soort. Via DNA-onderzoek sporen we dan op waar precies de afwijking is ontstaan en wat de oorzaak daarvan is: komt het door het teeltklimaat of is het een erfelijkheidskwestie? Dat levert telers een enorme tijdswinst op: omdat de collectie altijd bij de hand is, kun je snel werken aan de oplossing.”

Ze houdt van haar werk: “Een paddenstoel is zo’n bijzonder organisme. Als ik van één paddenstoel de sporen opvang, kan elk spoortje zich tot een totaal andere schimmel ontwikkelen. De één groeit langzaam, de ander groeit wolkerig en weer en ander ontwikkelt zich in strengen. Het blijft boeiend, ook na zoveel jaar.”