Equine infectieuze anemie (EIA)

Equine infectieuze anemie (EIA)

Equine infectieuze anemie (EIA) is een virale infectieziekte die bloedarmoede veroorzaakt en gepaard gaat met terugkerende koortsperioden.

De ziekte komt voor bij paarden, muilezels en ezels en wordt door bloedzuigende insecten verspreid. Bij drachtige dieren kan ook de foetus geïnfecteerd raken. Het equine infectieuze anemie-virus is een lentivirus, behorende tot dezelfde familie als het zwoegerziekte virus bij schapen en het HIV (aids) bij de mens. Wanneer een paard eenmaal besmet is geraakt, kan het dier levenslang besmettelijk blijven voor andere paarden. Mensen kunnen niet besmet worden met EIAV.

EIA is een meldingsplichtige dierziekte. Bij een verdenking van deze ziekte moet er contact worden opgenomen met de NVWA. Er bestaat geen vaccin of adequate behandeling voor de ziekte. Het is vaak moeilijk om EIA van andere met koorts gepaard gaande ziekten te onderscheiden. Dit kan alleen met laboratoriumonderzoek.

Verschillende stadia van de infectie

Er zijn verschillende ziektevormen van EIA. Paarden kunnen de infectie zonder duidelijke klinische verschijnselen doormaken, er kan een acute fase worden waargenomen of een chronisch verloop van de ziekte. De incubatietijd, voordat klinische verschijnselen kunnen worden waargenomen, is 3-30 dagen, maar kan veel langer zijn. Alle dieren die geïnfecteerd worden met EIA blijven levenslang drager van het virus en vormen een potentiële besmettingsbron.

Accuut

Vaak begint de ziekte eerst met acute ziekteverschijnselen die niet vaak, maar potentieel dodelijk kunnen zijn. In dit acute stadium is de diagnose moeilijk vast te stellen, omdat de symptomen snel verschijnen en er vaak alleen een verhoogde lichaamstemperatuur wordt gesignaleerd. Naast koorts kan echter ook sloomheid, bloedarmoede, bloedingen en een verminderde eetlust worden waargenomen. In deze fase van de ziekte bevat het bloed zeer hoge concentraties virus en is het risico op verspreiding relatief hoog.

Chronisch

Als het dier niet overlijdt tijdens de acute fase van de ziekte, kan de ziekte chronisch worden. Het paard zal dan perioden met koorts hebben (met een tussentijd van weken of zelfs jaren), bloedarmoede, gewichtsverlies en oedeem onder de buik en in de benen.

Verspreiding

Verspreiding van EIA vindt meestal plaats door overdracht van geïnfecteerd bloed door bloedzuigende insecten, besmet plasma, naalden, spuiten of andere met bloed gecontamineerde materialen.

Verspreiding door bloedzuigende insecten van EIA is afhankelijk van de dichtheid van de paardenbevolking, het aantal EIAgeïnfecteerde dieren en het aantal en de gewoonten van de aanwezige insecten (vlieg, daas en andere grote bloedzuigende insecten). Het virus vermeerderd zich niet in het insect. Deze brengt het virus alleen via de steeksnuit over.

Besmetting kan ook transplacentair plaatsvinden (verticale transmissie tijdens de dracht van het geinfecteerde paard naar het veulen) of wanneer een geïnfecteerde hengst een merrie dekt.

Een belangrijke rol in de verspreiding van EIAis het gebruik van gecontamineerde spuiten en naalden.

Inperking verdere verspreiding

Om de (verdere) verspreiding van EIAV tegen te gaan moet vooral de verspreiding via geïnfecteerde paarden geminimaliseerd of uitgesloten worden. Dit gebeurt door positief geteste paarden te euthanaseren of deze van negatief geteste paarden af te zonderen. Wanneer paarden meer dan 200 meter uit elkaar staan, is de kans op verspreiding zeer klein. Tot alle paarden van een locatie zijn getest, moet men ervan uitgaan dat elk paard die op die locatie is of geweest is, een potentieel reservoir van EIAV is. De NVWA zal deze locatie sluiten en gedurende 3 maanden alle andere paarden op deze locatie testen of deze niet geinfecteerd zijn geraakt.

Waarom moeten paarden met EIA in quarantaine worden geplaatst of geëuthanaseerd worden?

Paarden die geïnfecteerd raken met EIA dragen het virus gedurende de rest van hun leven bij zich. Dit komt doordat het virus zijn DNA in bepaalde type cellen inbouwt. Als de dieren in stressvolle omstandigheden terecht komen en/of met corticosteroïden worden behandeld kan het virus weer vermenigvuldigen en het dier ziek maken. Het dier is hiermee een continue “gevaar” voor zichzelf en de paarden om zich heen. Omdat Nederland vrij is van de ziekte is het belangrijk niet-geïnfecteerde paarden te beschermen door een geïnfecteerd paard in quarantaine te plaatsen (minimaal 200 m afstand van andere paarden) of te euthanaseren.

Voorzorgsmaatregelen paardeneigenaars

Eigenaren van paarden kunnen het verspreidingsrisico van besmetting verminderen door enkele maatregelen te treffen.

  • Gebruik wegwerpspuiten en –naalden. Volg de regel: voor elk paard een aparte naald. In Nederland wordt door dierenartsen altijd met naalden voor eenmalig gebruik gewerkt. Zij zullen ook bloedproducten van donoren gebruiken die gecontroleerd zijn op EIA.
  • Reinig en steriliseer alle instrumenten die gecontamineerd kunnen zijn met bloed na elk gebruik.
  • Zet alle nieuwe paarden, muilezels en ezels afkomstig uit het buitenland apart tot zij voor EIA zijn getest of eis bij import dat men een recent negatief EIA-testcertificaat kan tonen.
  • Bij aanwezigheid van een besmet paard op minder dan 200 meter afstand van het bedrijf, is de kans op overbrengen door insecten aanwezig. Bij meer dan 200 meter afstand wordt de kans op infectie via die route klein.
  • Neem contact op met de dierenarts zodra er klinische verschijnselen worden waargenomen die kunnen duiden op een infectie met EIAV.

Diagnostiek

Het aantonen van EIAV-specifieke antistoffen met serologisch onderzoek is een betrouwbare methode om de diagnose EIA vast te stellen. Serologisch onderzoek kan worden uitgevoerd met een ELISA (“enzyme linked immunosorbent assay) of met een agar gel immunodiffusie test (AGIDT of Coggins test). De AGIDT is de gouden standaard en wordt gebruikt om de uiteindelijke diagnose te stellen.