Fokprogramma’s voor zeldzame lokale rassen gericht op behoud en benutting van hun unieke eigenschappen

Melkveebedrijven met Groninger blaarkoppen produceerden melk met een relatief hoog gehalte aan onverzadigde vetzuren. Deze unieke eigenschap biedt kansen voor de bedrijven met dit ras om toegevoegde waarde te creëren voor hun zuivelproducten.

Dit was een opvallende uitkomst van het onderzoek van Myrthe Maurice dat zij uitvoerde bij het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN). Vooraf aan de verdediging van haar proefschrift bij Wageningen Universiteit organiseerden WIAS, CGN en ABGC een seminar met de titel “Kansen voor het behoud van lokale rassen”.

Etienne Verrier (Agro Paris Tech) vatte de succesfactoren samen voor de ontwikkeling en het in de markt zetten van specifieke producten van lokale rassen (met name kaas). In Frankrijk produceren individuele of samenwerkende veehouders speciale producten, waarbij ze de unieke kenmerken van een ras samen met de specifieke natuurlijke productie omstandigheden benutten om een veel hoger prijs te krijgen voor hun producten. Ze produceren in plattelandsgebieden lokale kaassoorten die vooral ook in de stedelijke gebieden verkocht worden. Met Europese regelgeving (registratie als PDO= Protected Designation of Origin) wordt het behoud van lokale rassen en van hun productie omstandigheden ondersteund door het in de markt zetten van specifieke producten.

Peer Berg (Nordic Gene Bank) liet de gevolgen van klimaatverandering (een hogere temperatuur en meer extreme weerssituaties) zien op de Scandinavische productie omstandigheden. Er wordt een drastische verandering in dierlijke productiesystemen verwacht niet alleen als gevolg van deze klimaatverandering, maar ook door andere trends:de verwachte groei van de bevolking, de toename in vleesconsumptie, de kleinere hoeveelheid land die beschikbaar is voor de landbouw en de afnemende zelfvoorzieningsgraad. Deze ontwikkeling biedt uitdagingen en kansen voor de Scandinavische rassen. De Scandinavische landen geven een hoge prioriteit aan het beter vastleggen van de specifieke, unieke eigenschappen van de lokale rassen. Dat werk kan de positie van de lokale rassen in de toekomstige productiesystemen versterken.

Mario Calus (Animal Breeding and Genomics Centre, WUR) introduceerde de mogelijkheden van “genomic selection” voor de zeldzame lokale rassen. De genetische karakterisering met DNA-chips met een hoge dichtheid (50000 of 777000 SNP’s) kan een nieuw en beter inzicht geven in de genetische verschillen tussen rassen. Dat kan gebruikt worden bij het prioriteren van rassen in conserveringsprogramma’s. Een effectieve  “genomic selection” vraagt om een referentie populatie van minstens 2000 dieren, waarvan het SNP-profiel en de eigenschappen uit het fokdoel vastgelegd zijn. Maar voor de meeste lokale rassen  is de populatie te klein en zijn niet alle eigenschappen van de dieren goed vastgelegd. Het belangrijkste advies voor de lokale rassen is om een DNA-bank aan te leggen en routinematig de belangrijkste eigenschappen van de dieren goed vast te leggen, zodat op termijn “genomic selection” mogelijk wordt. 

Bart Buitenhuis (Aarhus University) liet de verschillen in melksamenstelling van drie Deense melkveerassen zien: de Holstein Friesian (HF), de Jersey (J) en de Zweedse roodbonte (SRW). De stremming van de Jersey melk is veel beter dan van de HF-melk (intermediair) en de SRW-melk (minste). Bij 2% van de HF-koeien en 16% van de SRW-koeien wil de melk helemaal niet stremmen en is ongeschikt voor de kaasproductie. De J-melk geeft ook de hoogste opbrengst bij de productie van yoghurt. Deze twee verwerkingseigenschappen van melk zijn erfelijk. De Jersey-melk heeft het hoogste aandeel onverzadigde vetzuren. Het aandeel onverzadigde vetzuren in de melk kan beïnvloed worden door “genomic selection”.   

Jack Windig (Animal Breeding and Genomics Centre, WUR) lichtte de software toe die onlangs is ontwikkeld om verwantschap en inteelt in kleine populatie te monitoren en te beïnvloeden. Hij toonde voorbeelden van recent onderzoek waarin de fokprogramma’s en het genetisch management van Nederlandse rassen is geanalyseerd. Een simulatiemodel kan gebruikt worden om de inteelt te voorspellen wanneer alternatieve fok strategieën toegepast zouden worden. Deze software is van groot belang voor het behoud van de unieke eigenschappen van zeldzame lokale rassen en voor het vermijden van een te hoge toename van de inteelt.