Hoezo heeft de veehouderij geen negatieve effecten op de natuur?

Hoezo heeft de veehouderij geen negatieve effecten op de natuur?

Toelichting van Alterra Wageningen UR op de publiciteit rondom het rapport ‘Toepassing van stenoeciteit voor ruimtelijke beleidsvraagstukken’.

Diverse bladen en websites hebben recent artikelen gepubliceerd waarin wordt betoogd dat de veehouderij geen negatieve effecten heeft op de natuur (V-focus: “Melkvee heeft geen negatief effect op natuur”; Boerderij: “Natuur en veehouderij gaan goed samen”). Deze publicaties verwijzen daarbij naar een onderzoekrapport van Alterra Wageningen UR. Namens Alterra laten ondergetekenden hierbij weten dat bovenstaande conclusies niet in het betreffende rapport voorkomen, en dat zij ook volledig onjuist zijn.

Het betreffende rapport (Toepassing van stenoeciteit voor ruimtelijke beleidsvraagstukken) stelt dat er in het kleinschalige landschap van Noordoost-Twente geen relatie is gevonden tussen de melkveehouderij, uitgedrukt in aantal koeien per hectare, en de ecologische waarde van natuur en landschap in dit gebied. En dat natuur en landschap in de praktijk, onder zekere voorwaarden, te integreren zijn met de landbouw. In het rapport is echter niet gekeken naar negatieve relaties tussen veebezetting en natuur als gevolg van bijvoorbeeld luchtverontreiniging (zoals stikstofdepositie) en water- en bodemverontreiniging.

In V-focus is door de redacteur echter nadrukkelijk wel een relatie gelegd met stikstofdepositie. Uit diverse reacties blijkt dat sommigen dit zien als bewijs dat ‘kwetsbare natuur en landbouw goed kunnen samengaan’. Dit is echter pertinent onjuist. Het stenoeciteitsonderzoek doet in het geheel geen uitspraak over de relatie tussen uitstoot van ammoniak vanuit agrarische bedrijven, de stikstofdepositie en de schadelijkheid daarvan voor natuurgebieden. Dat ammoniak nadelige effecten op de natuur heeft is wetenschappelijk al lang geen punt van discussie meer (Bobbink et al., 1998; Stevens et al., 2004; Emmett et al., 2007; Kros et al., 2008; Stevens et al., 2010a; Stevens et al., 2010b; Bobbink en Hettelingh, 2011; Dise et al., 2011). Een overmaat aan ammoniakdepositie tast de kwaliteit van bossen en natuurgebieden wel degelijk aan.

Het aantal koeien per hectare in een gebied is overigens maar een zeer beperkte maat voor de totale stikstofbelasting, omdat een zeer groot deel (veelal rond de 75%) van alle NOx belasting en een deel van de ammoniakbelasting van buiten het gebied binnen komt (Kros et al., 2011). Daarnaast is de ecologische waarde in het onderzoekgebied in Noordoost-Twente bepaald op basis van floristische gegevens van 300 kilometerhokken van ieder 100 hectare, en daarbij wordt geen onderscheid gemaakt naar arme bossen, soortenrijke graslanden etc. En daarmee dus ook niet naar de mate van stikstofgevoeligheid. Zoals in het rapport is aangegeven worden de hogere ecologische waarden aangetroffen in gebieden met ‘een bijzondere natuur- en landschapsfunctie’.

Bij een gelijke veedichtheid komt een variatie aan soortenrijkdom voor die niet alleen bepaald wordt door de effecten van stikstofdepositie, maar door veel meer factoren, waaronder de variatie in grondsoort en hydrologie. Een betrouwbare relatie tussen stikstofdepositie en de effecten op natuur kan alleen worden bepaald voor een identieke vegetatie op een identieke grondsoort met een grote range aan stikstofbelasting. Dergelijke studies bestaan en laten wel degelijk grote effecten zien van stikstofbelasting op soortenrijkdom (Stevens et al. 2004, Stevens et al. 2010a, Stevens et al. 2010b).


Namens Alterra,

Albert Corporaal (eerste auteur van het rapport over stenoeciteit), Hans Kros, Wim de Vries (onderzoekers stikstofgedrag)