Leren van olieramp met Deepwater Horizon

Nieuws

Leren van olieramp met Deepwater Horizon

Gepubliceerd op
19 november 2012

Op de bodem van de Golf van Mexico ligt een dikke laag olieresten. De schade als gevolg van de olieramp met boorplatform Deepwater Horizon, in 2010, lijkt beperkt, maar op 800 meter diepte voltrekt zich een ramp. Om de miljoenen liters in zee stromende olie op te lossen, werd drie miljoen liter dispergeermiddel toegediend. “Het is de vraag of dat een goede aanpak was”, zegt Tinka Murk, Hoogleraar Milieutoxicologie aan Wageningen University.

“Er was van tevoren niet goed nagedacht over hoe te handelen bij een olieramp”, zegt Murk. Wetenschappelijk onderzoek moet ertoe bijdragen dat in de toekomst bij een calamiteit goed geïnformeerde beslissingen genomen kunnen worden. "Daarbij moet ook aandacht zijn voor de effecten onder het wateroppervlak, die niet direct zichtbaar zijn", aldus Murk.

Door dispeergeermiddel in de weglekkende olie te injecteren voor de kust van de Verenigde Staten zou de olie oplossen en in de zee zo erg verdunnen, dat er nauwelijks schade zou zijn. Nu blijkt dat veel vuil in vlokken is afgezonken waardoor er een dikke laag smurrie op de bodem van de Golf van Mexico ligt. Het leven op de zeebodem, en dus het hele ecosysteem, lijdt daar zwaar onder. Hoewel de zichtbare schade van de ramp dus relatief beperkt is, in ogenschouw nemend dat er drie maanden lang miljoenen liters olie in zee stroomden, lijkt zich uit het zicht, op 800 meter diepte, een flinke milieuramp te voltrekken.

Samen met enkele andere onderzoekers van Wageningen UR en de Noordelijk Hogeschool Leeuwarden onderzoekt Murk binnen het internationale C-IMAGE-consortium wat de invloed van het gebruik van dispergeermiddellen is op het lot van de olie, de giftigheid en afbraaksnelheid. Om lessen te kunnen trekken uit de ramp met de Deepwater Horizon, is het Center for Integrated Modeling and Analysis of the Gulf Ecosystem (C-IMAGE) opgericht. Onderzoekers van 13 universiteiten en instituten, waaronder Wageningen University (Toxicologie en Milieutechnologie) en IMARES Wageningen UR, werken hier samen, betaald door BP, eigenaar van de Deepwater Horizon en dus verantwoordelijk voor de milieuramp.

Dispergeermiddel werkt in zeewater anders dan in schoon water

Onlangs ontdekten de onderzoekers van de Nederlandse C-IMAGE projectgroep, waar Tinka Murk projectleider van is, dat de gebruikte dispergeermiddelen anders werken in realistisch zeewater met zwevende deeltjes en algen dan in schoon water. “Er ontstaan een soort spinnenwebstructuren”, aldus Tinka Murk. Het vuil plakt aan het dode of levende materiaal in het water en zakt daardoor in vlokken af naar de bodem. In gefilterd water ontstaan die spinnenwebstructuren niet.

Bij Wageningen University zijn drie promovendi aangesteld die bestuderen hoe de oliedruppeltjes zich verticaal door het water bewegen (met en zonder toevoeging van dispergeermiddelen, in schoon water of realistisch water met deeltjes), hoe het afbraakproces verloopt (onder verschillende omstandigheden) en wat de toxiciteit is van de olie en de oplosmiddelen, zowel voor waterleven als het bodemleven. De promovendi doen onder meer proeven met sedimentmonsters van na de olieramp, die worden opgestuurd vanuit de Verenigde Staten.

Uit eigen zak betaalt Wageningen University nog een vierde promovendus. Dit deel van het onderzoek valt onder het Wageningse mariene investeringsprogramma TripleP@Sea. De promovendus onderzoekt welke afwegingen er gemaakt dienen te worden bij bestrijding van een olieramp. Naast de gegevens over de olie en de lokale omstandigheden, moeten kosten en baten worden afgewogen, niet alleen de kosten van de inzet maar ook die van de gevolgen voor allerlei ecosysteemdiensten zoals overleving van belangrijke vislarven, aquacultuur, toerisme en beschermde natuur.

Wat zou een olieramp betekenen voor St. Eustatius?

Al deze aspecten worden bestudeerd voor St. Eustatius, dat sinds 2010 een speciale gemeente is van Nederland. Murk: “Ten eerste moet er gekeken worden welke bedreigingen daar aanwezig zijn. Een boorplatform is er niet, dus daarmee valt al veel af. Maar er zit bijvoorbeeld wel een olieoverslagbedrijf. Ten tweede zal in de modellen rekening gehouden moeten worden met weersomstandigheden en stromingen, want die hebben grote invloed op verspreiding van olie. Ten derde moet in kaart gebracht worden welke ecosysteemdiensten in het gebied aanwezig zijn, welke organismen daarvoor cruciaal zijn en hoe gevoelig deze zijn voor olie en dispergeermiddelen: koraal, vissen en hun larven, schelpdieren, zeeschildpadden, enzovoorts.”

Door nu al naar al die mogelijke risico’s te kijken en de ecologische en economische voor- en nadelen van mogelijke reacties op een olieramp tegen elkaar af te wegen, kan een Decision Support Tool in een bepaald gebied ontwikkeld worden. Zo’n model kan bij een calamiteit geraadpleegd worden, zodat ondanks de enorme druk om snel te handelen, toch de juiste beslissingen genomen kunnen worden. Natuurlijk zal dit model ontwikkeld worden in samenspraak met experts van Rijkswaterstaat die beslissen welke de acties er genomen moeten worden na een olieramp, ook in Caribisch Nederland.

Toxicoloog Murk wil op termijn ook graag een dergelijke studie doen voor de Noordzee. “De Noordzee is heel druk en complex. Het is dus goed dat we eerst beginnen op een relatief overzichtelijke plek, bij St. Eustatius.”