Blogpost

Met schuldgevoel redden we de paling niet

Gepubliceerd op
23 februari 2017

Nederland heeft van oudsher een rijke palingtraditie. Gerookte paling hoort bij Nederland, net als klompen, molens en haring. Helaas gaat het niet zo goed met de paling. Toch, anders dan vaak wordt beweerd, wordt de paling – oftewel Europese aal – niet direct met uitsterven bedreigd.

Reden tot ongerustheid is er wel. Over de aalstand, maar vooral ook over de vraag of de juiste maatregelen worden genomen voor aalherstel. Simpele oplossingen lijken aantrekkelijk, maar ze werken niet. Een overzicht:

Aal is een geval apart

Om te begrijpen wat de situatie is en welke maatregelen kunnen werken om de aal te herstellen, is het nodig de levenscyclus van de aal te kennen. Alle aal paait in de Sargassozee. Na het paaien sterven de alen. Jonge aal (glasaal) ’lift’ met de golfstroom mee naar Europa, vooral naar de kust van Frankrijk. Nederland is wat dat betreft een 'randgebied'. Dit duurt 1,5 jaar. Vanaf de Europese kusten trekt de aal de rivieren op, het achterland in. Na 10-30 jaar zwemt de aal weer terug naar de Sargassozee om te paaien.

Door deze levenscyclus en 'gemengde populatie' is Nederland afhankelijk van de beschermingsmaatregelen die ook door andere landen worden genomen. Er is immers geen 'Nederlandse' aal, in die zin dat uit Nederland uittrekkende aal elders nakomelingen heeft, die weer naar Nederland trekken. Door deze lange levenscyclus kan herstel ook niet snel plaatsvinden. De mortaliteit van aal kan wel snel omlaag worden gebracht door beheersmaatregelen, maar dat leidt pas veel later tot meer glasaal voor de kust.

De aalstand is nu laag, maar we weten niet precies waarom

De hoeveelheid glasaal die de Noordzeekust bereikt, is een kleine 3% van die in de jaren zestig en zeventig. Voor de andere Europese kusten is dat een kleine 11%. Hoe het precies komt dat de paling zo is achteruit gegaan, weten we niet. Waarschijnlijk is er niet één enkele oorzaak te noemen, maar speelt er een combinatie van factoren. Denk aan watervervuiling (PCB’s en dioxines), veranderende zeestromen, visserijdruk (beroep en sport), habitatverlies, de zwemblaasparasiet, en de grote hoeveelheid stuwen, gemalen en dijken die de uittrek van de paling naar de paaiplaatsen in de Sargassozee en de terugkeer van de glasaaltjes naar de zoete binnenwateren hinderen. Kortom: veel mogelijke factoren en welke er het meest toe doen, weten we niet.

Wij – als maatschappij – bepalen wat we over hebben voor aalherstel

Om de aalstand zo snel mogelijk te laten herstellen heeft de International Council for Exploration of the Sea geadviseerd de “door mensen veroorzaakte mortaliteit” zo laag mogelijk te laten zijn.

Om deze mortaliteit zo snel en zo laag mogelijk te maken – zoals geadviseerd door ICES – zouden zeer ingrijpende en kostbare maatregelen nodig zijn: dijken, gemalen en pompen aanpassen. Dit is kostbaar en kan niet zomaar. Idem dito voor habitatherstel of alle waterbodems ontdoen van vervuiling, en ingrijpende maatregelen voor sport- en beroepsvisserij liggen ook vaak gevoelig.

Een wat langzamer aalherstel is dan ook praktischer: voor minder kosten, maar dan wel met de zekerheid dat herstel ook echt plaatsvindt. Met dit in gedachten heeft de Raad van de Europese Unie in 2007 de “EU Regulation for the Recovery of the Eel Stock” vastgesteld. Deze verordening verplicht de lidstaten om met een eigen nationaal aalbeheerplan te komen en dit te implementeren, met als doel het bereiken van een goede aalstand op lange termijn. Lidstaten zijn verplicht om over de voortgang van de nationale aalbeheerplannen te rapporteren aan de Europese Commissie.

Aalherstel is goed mogelijk – mits Europees aangepakt, met ’de vinger aan de pols’

Hoofdzaak is dat in Europees verband voldoende effectieve maatregelen genomen worden. Herstel van de aal kan niet anders dan in Europees verband worden opgepakt. Nederland heeft een stevig pakket aan maatregelen genomen. Als alle andere landen in Europa dezelfde inspanning leveren, dan zou herstel mogelijk moeten zijn. Als andere landen achterblijven zal de inspanning vanuit Nederland verloren gaan. Het is dus belangrijk dat alle landen goed meedoen, dat plannen en maatregelen worden aangescherpt als resultaat uitblijft, en dat landen worden aangesproken als zij achterblijven; op Europees niveau.

Simpele oplossingen zijn er niet

Ondertussen wordt wat al te gemakkelijk met een beschuldigende vinger naar de visserij gewezen, alsof dat de enige boosdoener zou zijn. Onder druk van natuurorganisaties hebben grote supermarktketens in Nederland paling uit de schappen gehaald. Maar met schuldgevoel gaan we de paling niet redden. Mijn pleidooi is daarom om niet met beschuldigende vingers te wijzen, maar samen de schouders eronder te zetten: om aalherstel op de Europese agenda te zetten en te houden, opdat landen die achterblijven worden aangesproken en aalplannen en maatregelen worden aangescherpt als dat nodig mocht zijn.

Als we dit echt willen oplossen, dan vereist het samenwerking tussen alle partijen: beroepsvissers, kwekers, sportvissers, natuurorganisaties, kennisinstellingen, overheden. Alleen als we elkaar scherp houden en gezamenlijk actie ondernemen in Europees verband kunnen we ook in de toekomst onbezorgd van een overheerlijk gezond gerookt palinkje blijven genieten. Met ongerichte en puur Nederlandse maatregelen komen we er niet.

- Tammo Bult, directeur Wageningen Marine Research