Nieuws

10 zaken die we zeker van klimaatverandering gaan merken

Gepubliceerd op
28 september 2016

Overstromingen, orkanen, rattenplagen, mislukte oogsten, het zika-virus... Vaak toegeschreven aan klimaatverandering. Dat de aarde opwarmt door menselijk toedoen daar is de wetenschap het wel over eens. Maar wat zijn nu de gevolgen van die opwarming? Het NTR-radioprogramma ‘De Kennis van Nu’ vroeg het aan Rik Leemans. Een niet-uitputtende opsomming van 10 onbetwistbare zaken:

1. Het hele jaar hogere temperaturen
Als we naar de gemiddelde temperatuur over heel de aarde kijken, is elk van de laatste elf maanden al een warmterecord geweest. Dat is verbazingwekkend, omdat tot 2015 slechts één (soms twee) maanden per jaar wereldwijd de warmste waren. De huidige trend geeft duidelijk aan dat de gemiddelde temperaturen door het broeikaseffect steeds sneller hoger worden. Ook extreem hogere temperaturen, zullen over het algemeen vaker voorkomen op aarde.

2. Grotere hoeveelheden neerslag
Het broeikaseffect zorgt ervoor dat er meer warmte-energie in de atmosfeer wordt vastgehouden. Hogere temperaturen in de atmosfeer warmen ook het zeewater langzaam op. Negentig percent van de extra warmte in de atmosfeer wordt nu opgenomen door de oceanen. En dat vertaalt zich ook in meer neerslag door een grotere verdamping. Waar de Nederlandse zomers vroeger vooral zachte miezerbuitjes kenden, merken we nu al dat er vaker grote stortbuien optreden. Onze winters worden eveneens natter.

3. Nederland krijgt klimaat van Midden-Frankrijk
Het hele klimaat wordt warmer en hierdoor schuiven de warmere klimaatgebieden richting de Noord- en Zuidpolen. Daardoor verminderen de koude gebieden, inclusief aan de polen, in omvang. Dit merk je aan het ijs op de Noordpool dat nu al veel minder en dunner is dan enkele decennia geleden. Voor Nederland betekent dit dat ons klimaat vergelijkbaar wordt met het klimaat van midden-Frankrijk. Meer hittestress en minder ijspret, kortom.

4. Lengtes seizoenen veranderen
De posities van de zon mogen dan door het jaar hetzelfde blijven, door de temperatuurstijging worden de herfst en de lente langer en de winter korter. Het voorjaar begint dus vroeger en najaar eindigt later. Dat zie je bijvoorbeeld al goed aan de datum waarop de meeste Nederlandse bomen hun nieuwe bladeren krijgen. Twintig jaar geleden was dat eind april, begin mei. Nu is dat al in maart. Ook rokjesdag is elk jaar weer vroeger. Bovendien lijkt het erop dat de winden meer uit het zuidwesten waaien, waardoor warme vochtige lucht wordt aangevoerd vanaf de warmere oceanen en Noordzee. Koude oostenwind in de winter komt minder voor. Deze ontstaat boven de nu warmere Russische poolzee (7 à 8 graden extra) en is daarom bovendien minder koud. Ook daarom worden de winters in West-Europa en Nederland over het algemeen zachter en korter.

5. Dieren en planten migreren
Temperatuur en klimaat zijn van grote invloed op de leefomgeving waarin planten en dieren en andere organismen leven. Alle organismen hebben zich elk op hun unieke wijze aangepast aan de lokale omstandigheden op basis van eeuwenlange natuurlijke selectie. Nu het klimaat naar het noorden verschuift, migreren vele organismen  (over het algemeen) ook naar het noorden. Achterblijvers krijgen het vaak moeilijk. Beuken in Nederland hebben bijvoorbeeld grote moeite om zich voor te planten onder veel warmere omstandigheden. Planten en koudbloedige dieren (wiens lichaamstemperatuur afhankelijk is van de omgevingstemperatuur) zoals insecten, vissen, reptielen en amfibieën, zijn het gevoeligst voor klimaatverandering. Warmbloedige dieren (die hun eigen temperatuur kunnen regelen) iets minder, maar zijn voor hun voedsel natuurlijk ook afhankelijk van hun omgeving (water, prooien, begrazing etc.). Toendra’s in het noorden worden vervangen door naaldbossen. Nederland herbergt steeds meer mediterrane soorten terwijl soorten met een noordelijke verspreiding verdwijnen. Zo is de laatste jaren de mineermot heel snel over Europa verspreid. De rupsjes van deze mot tasten de bladeren van de paardenkastanje aan, waardoor die bomen aan het eind van de zomer niet erg vitaal zijn. Zulke nieuwe schadelijke soorten (waaronder ook de eikenprocessierups en straatliefdegras) volledig verwijderen of oude soorten behouden (zoals de korhoen) kost vaak handenvol geld en is vaak praktisch onhaalbaar.

6. Niet alle dieren kunnen wegvluchten
Je denkt er misschien niet meteen aan, maar over het land migreren betekent vaak ook obstakels overwinnen. Bergen, waterwegen, snelwegen, sporen, hekken, viaducten; het zijn allemaal hindernissen die er voor zorgen dat planten en dieren hun veranderende klimaat niet kunnen ontvluchten of hun tocht erg moeilijk maken. Planten kunnen natuurlijk niet lopen, maar verplaatsen zich wel door hun zaden te verspreiden. Daarnaast zijn er ook de zogenaamde koude doodlopende straatjes. De koudere regio’s in de bergen en aan de polen schuiven steeds hoger en noordelijker op. Leefgebieden worden kleiner. Soorten die juist in deze koude leefgebieden leven, zijn als het ware gevangen, waardoor ze met uitsterving worden bedreigd. Het is overigens lang niet zo dat elke plant of dier wordt bedreigd door klimaatopwarming. Maar, rekening houdend met de snelheid waarop de klimaatverandering nu op hun leven inwerkt, is de algemene balans toch duidelijk negatief.

7. Het zeeleven verandert
Op zee zijn er minder obstakels dan op het land en dat merk je. Heel veel vissoorten die vroeger niet in de Noordzee zwommen, zijn erg gemakkelijk vanuit het zuiden aangekomen. Andere soorten kunnen zich echter slecht aanpassen. Koraalriffen met al hun biodiversiteit kunnen zich niet verplaatsen en zijn erg gevoelig voor hogere temperaturen (waardoor ze verbleken), en voor de verzuring van het zeewater door opname van CO2. Daarom storten koraalriffen als een kaartenhuisje in elkaar. Het bekendste voorbeeld is natuurlijk het alsmaar slinkende Great Barrier Reef in Australië, maar ook Nederland heeft bedreigde riffen - bij Bonaire.

8. Trekvogels blijven niet gespaard
Omdat de bomen vroeger in het jaar in blad komen, komen ook veel rupsen eerder om de malse bladeren te eten. Standvogels zoals de koolmees,  profiteren hiervan. Trekvogels zoals de vliegenvanger, die later uit Afrika terugkomen, missen hierdoor een belangrijke voedselpiek om hun jongen groot te brengen. Andere trekvogels, zoals de kievit, volgen de koudegrens en komen daardoor eerder terug. Trekvogels met een ver overwinteringsgebied zullen dus de negatieve gevolgen sterker ervaren dan standvogels. Hoe verder een vogel trekt, hoe groter het risico.

9. Aantal schimmels stijgt
Warmere lucht bevat ook meer vocht. Deze grotere luchtvochtigheid zorgt voor extra neerslag. Warmere en vochtige condities vergroten de kans op schimmelinfecties in gewassen en verhogen de noodzaak voor pesticide gebruik in de landbouw. Lichamelijke schimmelinfecties zullen door de grote hygiëne gelukkig niet toenemen.

10. Landbouw krijgt meer last van nachtvorst
Boeren en fruittelers nemen nu al verschillende maatregelen tegen klimaatopwarming. Maar waar fruittelers erg bang voor zijn is dat de bloesems van de bloesembomen zoals appels, kersen, peren, door het vroege voorjaar eerder uitkomen en dan door een strenge nachtvorst kapotvriezen. Door de vroegere lente wordt het gevaar voor nachtvorst groter. Bij droge, heldere nachten in april en mei zal er veel verlies van warmte zijn. En zonder bloesems geen fruit. Ook hier is weer niet alles negatief. Het huidige klimaat in Nederland is uitstekend geworden om goede wijn te produceren. Er zijn nu al meer gezinnen afhankelijk van wijnproductie dan van de kabeljauwvisserij.

Klik hier voor het interview met Rik Leemans op NPO Radio 1