Beheer bodem-organische stof is belangrijk

Nieuws

Beheer bodem-organische stof is belangrijk

Gepubliceerd op
19 mei 2016

De Technische Commissie Bodem (TCB), een adviesorgaan van de overheid, gaf Wageningen UR de opdracht om de, met bodem-organische stof samenhangende, koolstofstromen en -voorraden voor bodems in de Nederlandse landbouw in kaart te brengen. Er werd specifiek gevraagd om een overzicht van risicogebieden en ook om de variabiliteit en onzekerheid van de beschikbare gegevens. De resultaten zijn verwerkt in een rapport, dat de TCB heeft gebruikt voor het opstellen van een advies aan de Nederlandse overheid.

Daling van bodem-organische stof staat al decennia lang hoog op de agenda van landbouw, beleid en onderzoek. Bodem-organische stof is gunstig voor bodemvruchtbaarheid, bodemstructuur, waterhuishouding en beïnvloedt gewasopbrengst en (bodem)biodiversiteit. Anderzijds kunnen de nutriënten, die uit organische stof vrijkomen, grond- en oppervlaktewater belasten en zorgt de afbraak van organische stof ook voor de uitstoot van lachgas en methaan, waardoor het broeikasgaseffect wordt versterkt. De natuurlijke afbraak van organische stof stoot wereldwijd 10x meer CO2 uit dan het verbranden van fossiele brandstoffen, maar dit wordt weer gecompenseerd door de vegetatie die een vergelijkbare hoeveelheid uit de atmosfeer opneemt en vastlegt.

Effectieve organische stof

In Nederland bevatten landbouwgronden veel organische stof, gemiddeld op grasland 246 ton per ha en op bouwland 188 ton per ha in de bovenste 30 cm. De jaarlijkse afbraak van reeds aanwezige bodem organische stof wordt geschat op 2,2 tot 3,0 ton per ha op bouwland en op 2,4 tot 4,0 ton per ha op grasland. Het is van belang dat de boer dit verlies met verse aanvoer weet te compenseren. De aanvoer van organische stof naar de bodem bestaat uit residuen van gewassen en van grasland, uit dierlijke mest en uit aangevoerde compost. Afhankelijk van de samenstelling van het residu kan 5% tot zelfs 80% in het eerste jaar afbreken en grotendeels als CO2 weer naar de atmosfeer terugkeren. In Nederland wordt de resterende jaarlijkse aanvoer van ‘effectieve organische stof’ geschat op 2,1 ton per ha op bouwland en tussen 3,6 en 5,2 ton per ha op grasland. Uitgedrukt als percentage van de al in de bodem aanwezige hoeveelheid komt dat neer op gemiddeld 1,5% op bouwland en 1,1 – 2,1% op grasland. Onzekere factoren in deze schattingen zijn o.a. de hoeveelheid residuen in grasland en de mate waarin en de snelheid waarmee de opgebrachte organische stof in het eerste jaar afbreekt en daarmee voor de bodem verloren gaat. Verschillende meetmethoden en rekenmodellen geven uiteenlopende uitkomsten.

Trends en risicogebieden

Gebaseerd op metingen en berekeningen wordt geschat dat in de jaren 80 en 90 van de vorige eeuw het organische stofgehalte van grasland 0,2-0,4% per jaar is toegenomen. Voor bouwland geven berekeningen en metingen verschillende beelden: de metingen laten een toename zien, modelberekeningen becijferen echter een afname. Dit behoeft nader onderzoek. Verandering van klimaat en verdergaande wettelijke inperking van mestgift kunnen in de komende decennia leiden tot veranderingen in de huidige trends.

In bijna alle graslandgebieden van de Nederlandse landbouw is de balans van input versus verlies positief, met name op kleihoudende grond. Op bouwland is deze balans in evenwicht of licht negatief, behoudens in de Veenkoloniën en op duinzandgronden in Noord- en Zuid-Holland waar een grotere afname werd berekend. Deze gebieden komen ook negatief naar voren indien rekening gehouden wordt met rotatie van akkerbouw en tijdelijk grasland. Uitgaande van een kritisch gehalte van 3% organische stof hebben sommige duinzandgronden in Noord- en Zuid-Holland een hoog risico en de Veenkoloniën een gematigd risico op (te) lage bodem organische stof. Op alle andere gronden is het risico laag te noemen. Echter, sommige lokale situaties in Nederland zijn dermate specifiek, dat ze niet goed door de beschikbare modellen worden beschreven.