‘Bij de introductie van aardgas zijn heel wat straatbomen gestorven’

Nieuws

‘Bij de introductie van aardgas zijn heel wat straatbomen gestorven’

Gepubliceerd op
10 juli 2018

Eind jaren zestig, tegelijk met de introductie van het aardgas in Nederlandse huishoudens, gingen in veel steden straatbomen dood. Alumnus Bessel Vrijhof (Tuinbouw 1947) was voorzitter van de studiecommissie die oorzaken van de bomensterfte en oplossingen aan het licht bracht. Door het doortastende optreden van zijn ‘dodebomenclub’, zoals deze SIAB in de wandelgangen werd genoemd, werden zo vele oude bomen en bijzondere stadsgezichten gered.

Bomen met kleinere bladeren, soms verkleurd, dode takken. Medewerkers van de Dienst der Gemeenteplantsoenen in Den Haag zien in de loop van 1967 steeds meer straatbomen er belabberd bij staan. Je kon bij sommigen door de kroon heen kijken. Eerst in het noorden van de stad, later ook in oudere stadswijken. Het treft allerlei soorten bomen, en op betegelde en meer open ondergronden. Ook zijn de slechte exemplaren willekeurig verspreid; soms hebben ze aan de ene kant van de straat wel ergens last van en aan de andere kant niet.

1.jpg

Stank

Het rooien van de dode exemplaren gebeurt nog gewoon met hand en bijl gebeurt. Het is een vervelende klus. Want er komt een enorme stank vrij bij het weghalen van een groot deel van de wortels, wat nodig is om het plantgat vrij te maken voor een nieuwe boom. ‘Hoe meer je in de aarde roerde, hoe meer er van die lucht bovenkwam’, herinnert een oud-medewerker zich. De wortels zijn bovendien vreemd verkleurd, van licht tot donkerpaars. Het wegkwijnen neemt al snel onrustbarende vormen aan. Maar wat is er toch aan de hand?

WUR-alumnus Bessel Vrijhof is op dat moment adjunct-directeur bij de Haagse Dienst der Gemeenteplantsoenen. Na zijn studie Tuinbouw in Wageningen (onderbroken door de oorlog, in 1947 alsnog afgestudeerd) heeft Vrijhof eerst gewerkt bij de Voorlichtingsdienst ten behoeve van de tuinbouw van het ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening (LVV). Hij begint als adjunct-rijkstuinbouwconsulent voor Zeeland en West-Noord-Brabant (standplaats Goes) waar hij de zorg over de proefvelden  krijgt. Zijn baas aldaar blijkt een oude bekende van hem, een oud-praeses van SSR – ook zijn studentenvereniging.

Omdat ambtenaren moeten rouleren – ja, ook toen al – schuift Vrijhof in 1952 door naar de afdeling Tuinbouwkundig onderzoek van het ministerie in Den Haag. ‘Ik kreeg daar met alle proefstations te maken, van fruit, bomen, bloembollen, glas en champignons. Die werden onder een noemer gebracht en verbonden aan de Directie Tuinbouw van LVV. Ik heb nog meegeschreven aan de statuten en reglementen.’ In 1959 treedt hij in dienst bij Gemeenteplantsoenen in Den Haag.

Grote zorgen

Terug naar de stervende straatbomen. Als op 14 en 15 september 1967 in Den Haag het jaarlijkse congres van de Nederlandse Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen plaatsvindt, is het plotselinge sterven van de straatbomen vanzelfsprekend hét onderwerp van gesprek. ‘Niet veel steden hadden een zelfstandige plantsoenendienst, dus hoe breed het probleem precies speelde was ons niet duidelijk’, vertelt Vrijhof. ‘Maar ook Amsterdam, Zwolle en Rotterdam bijvoorbeeld hadden er mee te maken.’

Dat de deelnemers bezorgd zijn, komt ook omdat vele stads- en dorpsgezichten en fraaie laanbeplantingen dreigen te worden aangetast door het wegvallen van monumentale bomen. ‘En het duurt wel vijftig jaar voordat een boom volwassen is.’ Zo komt de vraag op: kunnen we er wat aan doen?

Als boosdoener wordt al snel gedacht aan het nieuwe aardgas, vertelt Vrijhof. ‘Voordat het aardgas kwam, hadden steden en dorpen eigen fabrieken voor stadsgas. Bij de incidentele lekkages van stadsgas gingen ook bomen dood, wisten we. Maar dat stadsgas was giftig, aardgas niet.’

Het aardgas uit Groningen

Het aardgas kwam uit de Groningse gemeente Slochteren. Het was daar op 29 mei 1959 om 06.30 uur ontdekt, bij boer K.P. Boon in Kolham. Later zal het de grootste aardgasbel ter wereld blijken te zijn.

De overheid richt de Nederlandse Gasunie op om de bel te exploiteren, ten algemene nutte. In 1963 begint de exploitatie, tien jaar later is bijna heel Nederland aangesloten op aardgas. Overal worden industriële en huishoudelijke apparaten omgebouwd of vervangen om te kunnen functioneren op aardgas.

Ook Den Haag wordt wijk voor wijk aangesloten. In juni 1967 produceert het Gemeentelijk Energiebedrijf in Den Haag het laatste stadsgas. Het nieuwe gas gaat gewoon via de oude leidingen. Vrijhof: ‘De oude distributienetten voor stadsgas voldeden al zo’n honderd jaar. En van tevoren was gecontroleerd of dit net geen lekken vertoonde.’

Onderzoekscommissie

Na een uitvoerige discussie op het congres, krijgt Vrijhof de vraag om met twee collega’s, een uit Rotterdam en een uit Zwolle, een onderzoek te starten naar de oorzaken van de plotselinge sterfte. Het drietal vormt de Studiecommissie Invloed Aardgas op Beplantingen (SIAB). Vrijhof wordt voorzitter. ‘Ik had als Wageninger door mijn werk bij het ministerie van LVV onderzoekservaring.’

De eerste stap die het SIAB zet is het schrijven van een officiële brief aan ‘de gasmensen’, zoals Vrijhof ze noemt. Daar maken ze direct de hoogste mensen vrij voor de kwestie. ‘We hebben veel steun gehad aan de heer Gaikhorst, voorzitter van het VEG-gasinstituut en gezaghebbend in de gaswereld, en de heer Kempen, directeur van het gemeentelijk gasbedrijf in Groningen en voorzitter van de Vereniging van Gasfabrikanten. Ze bleken nog nooit gehoord te hebben over bomensterfte door gaslekken, en ze hadden ook geen idee waarom nu de bomen stierven.’ Maar bij de eerste bijeenkomst met Gaikhorst en Kempen wordt direct duidelijk wat het probleem was.

Het was een variant van het Bijbelse ‘Doe geen oude wijn in nieuwe zakken’: ‘Vervoer geen nieuwe gas door oude pijpen’
Bessel Vrijhof

Uitdroging

Dat zit zo. Het oude stadsgas was vochtig en laagcalorisch. Het werd onder lage druk getransporteerd. Aardgas is daarentegen droog en hoogcalorisch, en moet onder hoge druk getransporteerd. Het bestaande gasnetwerk bleek daar in het geheel niet tegen bestand. ‘De koppelingen gingen lekken’, vertelt Vrijhof. ‘De oude ijzeren buizen van een meter of vijf tot tien, met een mof- en een spie-eind, werden altijd gasdicht gemaakt door hennepvezels aangedrukt met lood. Maar door dat droge aardgas droogden deze lood-striktouwverbindingen al binnen een paar maanden uit. En zo ontstonden overal gaslekken. Ze waren meestal gelukkig maar zo groot als een waakvlam van een geiser – voor zover mij bekend hebben de lekken niet geleid tot gasexplosies. Maar de lekken bleken wel desastreus voor de bomen die in de buurt stonden.’

Vrijhof besluit na dit nieuws zo snel mogelijk zijn ‘groene’ mensen te informeren. ‘Ik wilde laten merken dat we er wat aan probeerden te doen en dan zo mogelijk voorlichting gaan geven. Zo gauw we iets weten schrijven we een rapport, en sturen dat naar de groene- en de gasmensen, hadden we afgesproken.’

Bodembacteriën

In april 1968 ligt dat eerste rapport er, met de uitkomsten van een enquête onder alle bij de Nederlandse Vereniging van Hoofden van Gemeentelijke Beplantingen aangesloten gemeenten om de ernst van de bomensterfte te inventariseren. Het laat zien dat alle soorten houtige gewassen even gevoelig zijn voor aardgaslekken. Kort daarna volgt een tweede rapport, met literatuuronderzoek van het Pudoc (Publicatie en Documentatie Centrum van de Landbouwhogeschool in Wageningen). Dat laat zien dat het aardgas, met als hoofdbestanddeel methaan, een prima voedselbron is voor bacteriën die het methaan consumeren (ofwel oxideren). Deze bacteriën zitten wereldwijd in de bodemflora; bij het verteren van biomassa ontstaat onder andere methaan.

De vraag blijft echter hoe deze methaanetende bacteriën zich gedragen bij gaslekken en welke rol ze hebben bij de bomensterfte. Op zoek naar mensen die kunnen helpen, wordt de halve Landbouwhogeschool  gealarmeerd: de laboratoria voor landbouwscheikunde, microbiologie, bodemnatuurkunde en tuinbouwplantenteelt, en verder het Instituut voor Cultuurtechniek en Waterhuishouding en het Bosbouwproefstation in Wageningen (beide opgegaan in Wageningen Environmental Research).

Samen met de wetenschappers stelt het SIAB een onderzoeksprogramma op. ‘Op het terrein van het Bosbouwproefstation wordt bijvoorbeeld een kunstmatig aardgaslek aangelegd’, vertelt Vrijhof, ‘om zo onder geconditioneerde omstandigheden de veranderingen in de omgeving van een aardgaslek te kunnen bestuderen.’ Ook wordt een promovendus aangesteld om hier verder in te duiken: de net in Wageningen afgestudeerde Jan Hoeks. De Gasunie en het VEG-gasinstituut betalen het promotieonderzoek en de rapporten, Wageningen stelt de laboratoria en de computer ter beschikking. Vrijhof komt er bij het overleggen verschillende vrienden tegen, tuinbouwers die net als hij oud-lid waren van SSR-W.

Compressors

In dat eerste jaar heeft Vrijhof wekelijks overleg met het Haagse gasbedrijf om de prioriteiten te bepalen en tussenoplossingen te vinden. Want de gasmensen zijn geenszins voorbereid op het vervangen van het hele stelsel van gasleidingen. Het aanbrengen van manchetten met afsluitringen op de lekkende lood-striktouwverbindingen blijkt slechts te werken als noodverband. ‘Ik had nadat de SIAB was opgericht bij de plantsoendienst twee hbo’ers aangesteld die met lekzoekapparatuur de gaslekken opzochten. De gasmensen kenden die apparatuur. Samen gingen ze op pad in de meest bijzondere straten, voor boven- en ondergrondse inspecties.’

Om tijd te winnen en zoveel mogelijk oude bomen te laten overleven, zeker rond het oude centrum in Den Haag met zijn vele monumentale bomen, proberen ze de samenstelling van de bodemlucht bij straatbomen te verbeteren. Met blazers wordt lucht in de grond geblazen om bij lekkages de gaslucht te verdunnen en te verdrijven, boom na boom. Zo staan ook op de hele lengte van het Lange Voorhout compressors die lucht injecteren. Daarnaast zetten medewerkers een meetnet uit – prikkers in de grond – om het zuurstofgehalte en methaangehalte in de grond te meten en daar zo nodig de frequentie van het lucht inblazen op aan te passen.

2.jpg

Foto: De Heemstraat, aanleg van een spruitstuk op de gasleiding (1968). Foto: G.J. ter Brugge, collectie Haags Gemeentearchief.

Ventilatietegels

Als dat soelaas blijkt te geven, worden hele straten vol gelegd met ventilatiekanalen: geperforeerde plastic kokers van zeventig centimeter tot een meter lang die verticaal de grond in gingen, om constant lucht te kunnen verversen. Ze worden afgedicht met een betontegel met vijf gaten – nu soms nog in oude plaveisels (klinkerstraten) te zien. ‘Ik ben ze zelf ook hier in Eerbeek tegengekomen, waar ik sinds 1982 woon’, vertelt Vrijhof. Het ventileren blijkt zeer succesvol. Verder zorgt de SIAB voor ontwikkeling van adviezen over succesvolle herplant, als bomen toch door een gaslek gestorven zijn. Gaikhorst van het VEG-gasinstituut schrijft zelf ook over de perikelen in het vakblad Gas, dat de hele wereld over gaat. Ook de rapporten van Vrijhofs studiecommissie, de SIAB, belanden in het buitenland: Rusland, Amerika, Engeland, Spanje, Italië. ‘Het Groningse gas ging ook naar Italië.’

Promovendus Hoeks ontrafelt het mechanisme achter de bomensterfte, en verdedigt in 1972 zijn proefschrift ‘Effect of leaking natural gas on soil and vegetation in urban areas’ (online te vinden via http://edepot.wur.nl/195445). Het blijkt dat de methaanconsumerende bodembacteriën bij een gaslek zoveel te eten kregen, dat oxidatie van zuurstof in de bodemlucht gepaard gaat met uitdroging. Bomen die in de buurt staan kunnen daardoor niet meer ademhalen, de vochttoevoer stopt en de bladeren verwelken.

Ook KLM Aerocarto (later onderdeel van Arcadis), draagt bij aan de oplossing. In vier jaar tijd maken ze met een infraroodcamera drie keer luchtfoto’s van onder meer Den Haag. Deze luchtfoto’s blijken informatie te geven over de gezondheidstoestand van planten, dus ook van kwijnende straatbomen, zo beschrijft het achtste en laatste SIAB-rapport in 1973.

Kosten

Het opheffen van alle gaslekken is niet alleen een tijdrovende aangelegenheid. Het zorgt er ook voor dat heel veel straten open liggen met overal stapels nieuwe leidingen. Daarnaast zijn de kosten behoorlijk. Vrijhof geeft als voorbeeld het groene hart van Den Haag. ‘Op het Lange Voorhout en omgeving waren al snel tal van gaslekken ontdekt. Overleg met Wethouder van Gemeentebedrijven Bastet en directeur van het Gasbedrijf Tinbergen leidde tot het besluit het oude gasnet zo snel mogelijk te vervangen. Gevolg: geen gasboom heeft destijds meer het loodje gelegd. Kosten: een miljoen gulden ten laste van het Gasbedrijf.’

Door het snelle ingrijpen sterven er volgens een rapportage van het SIAB tussen 1967 en 1969 in Den Haag uiteindelijk maar 760 bomen, terwijl er ruim 16 duizend het risico op een gasdood liepen. In het kleinere Zwolle stierf bijna 1 op de 5 bomen. Vrijhof: ‘Laatst kreeg ik van een journalist een bericht uit de Zutphense Courant van mei 1958 waarin stond dat in Zutphen bomen om onduidelijke redenen dood gingen. Al voor de bel in Slochteren was ontdekt, exploiteerde de NAM een gasveld in de Achterhoek.’

Uit de inspanningen voor behoud van de 70 tot 80- duizend straatbomen alleen al in Den Haag, blijkt ook een grote waardering voor deze bomen. Die is er ook altijd wel geweest, zegt Klaas Pors, de oud-medewerker die eerder in dit verhaal vertelde over de stank die vrijkwam bij het rooien getroffen bomen. Pors werd vers uit militaire dienst ooit door Vrijhof zelf aangenomen en werkte tot zijn pensioen bij de gemeentelijke plantsoenendienst in De Haag. ‘Bomen zijn emotie, ze spreken mensen aan’, verklaart Pors.

Herstel

Als de grootste gevaren zijn geweken, dringt Vrijhof vervolgens bij de politiek aan op investeringen om de schade die is ontstaan te herstellen. Hij weet een aantal jaren 300 tot 400 duizend gulden per jaar extra los te peuteren. Daarmee konden niet alleen hele jonge, maar ook al veel grotere bomen teruggeplant worden.

Voor boomleveranciers breken goede tijden aan. ‘Vrijhof liet de bomen op een gegeven moment zelf op contract bij kwekers telen en die teelt begeleiden door eigen personeel’, vertelt Pors. ‘Zo wilde hij zich ervan verzekeren dat de nieuwe bomen ook van voldoende kwaliteit waren.’

Schadeclaims zijn er volgens Vrijhof nooit uitgegaan. In 2012 gingen overigens nog wel twee lindes op het Lange Voorhout dood door oude gasleidingen; daar bleek nog een klein stukje gasleiding nooit vervangen te zijn.

Met de publicatie van het achtste rapport in 1973 eindigden de werkzaamheden van het SIAB.

Het betekende het einde van een succesrijke en unieke samenwerking van groene- en gasmensen, vergaand gesteund door de groene wetenschap.

Sprenger

Vrijhof noemt de SIAB-periode een van de hoogtepunten in zijn carrière. In 1975 ging Vrijhof zelf een nieuwe uitdaging aan als directeur van de Dienst Algemene Begraafplaatsen en Crematoria van de gemeente Amsterdam, tot hij in 1982 met vervroegd pensioen kon. Daarna heeft hij nog tot zijn tachtigste als lid van KMTP ‘Groei en Bloei’ snoeicursussen gegeven aan particulieren in hun siertuinen, voor het snoeien van houtige gewassen. Dat had hij nog van professor Sprenger van tuinbouwplantenteelt geleerd. Tot op de dag van vandaag heeft Vrijhof nog plezier van Sprengers lessen. ‘Sprenger was van oorsprong fruitteler, hij heeft me fruitbomen leren snoeien, om zo te zorgen voor hun vruchtbaarheid, vruchtgrootte en verjonging. Bij siergewassen gaat het bovendien om mooi hout of blad. Hij zei ook altijd: je moet met de planten praten, ze leggen hun geschiedenis vast. Als student snapte je daar toen eerst niks van, dat leerde je later, hoe langer, hoe meer in de praktijk’, besluit Vrijhof.

In zijn vrije tijd kweekt Vrijhof nog steeds rode stamgeraniums. De kweek daarvan werd op Vrijhofs initiatief in zijn Haagse periode ontwikkeld. Vanaf begin jaren zeventig sierden ze vele plekken in Den Haag, bijvoorbeeld bij de Hof vijver.

WUR-alumnus Bessel Vrijhof (Tuinbouw 1947) schreef in april 2018 de basis voor dit verhaal als reactie op de oproep ‘Share your story’ in het kader van de viering van 100 jaar WUR (‘Hoe een groene Wageninger betrokken raakte bij de aardgaswereld’). Schrijver en alumnus Yvonne de Hilster sprak in mei met Vrijhof en Klaas Pors over deze episode, en werkte het met goedkeuring van Vrijhof uit tot bovenstaand verhaal.

4.jpg
5.jpg

Lees meer verhalen van alumni