Nieuws

Bodemvruchtbaarheid in beeld op ‘Koeien & Kansen-bedrijven’

Gepubliceerd op
12 mei 2014

Van de deelnemers aan het project ‘Koeien & Kansen’ is de ontwikkeling van het organische stofgehalte en het P-AL getal in beeld gebracht van 1998 tot 2012. Hieruit blijkt dat het het organische stof gehalte niet onder druk staat. Zowel niet op de bedrijven op zandgrond, als op de bedrijven op klei, veen en löss. Dit geldt ook voor het P-AL getal. Opmerkelijk is dat binnen de bedrijven forse verschillen zitten tussen de ontwikkeling op percelen. Dit hangt samen met de geteelde gewassen en de verdeling van mest.

Er was behoefte aan dit onderzoek om in beeld te krijgen of de maatregelen die deelnemers op de bedrijven nemen om de nutriënten (N en P) op efficiënte wijze te benutten niet strijdig zijn met het behouden of verhogen van de bodemvruchtbaarheid. Een ander motief voor dit onderzoek is dat een goede bodemvruchtbaarheid van belang is als basis voor een efficiënt gebruik van nutriënten. In dit onderzoek is uitsluitend gekeken naar de ontwikkeling van het organisch stofgehalte van de bodem en van de fosfaattoestand, zoals aangegeven door het P-AL getal.

Analyse per bodemtype en gewas

Er is een analyse uitgevoerd van de ontwikkeling in de tijd. Dit werd gedaan voor ‘permanente’ grasland percelen per bodemtype (zand, klei, veen en löss) en voor percelen waar gras en maïs worden afgewisseld.  Op zandgrond is er geen significante trend waarneembaar in de ontwikkeling van het organische stofgehalte in grasland. Op klei, veen en löss is er een positieve ontwikkeling van het organische stofgehalte in grasland waargenomen. De jaarlijkse afbraak van de totale hoeveelheid organische stof in de bodem in grasland varieert tussen 0,3 procent op veen en 3,6 procent op zand. Op wisselbouwpercelen (teelt van een aantal jaren gras gevolgd door een aantal jaren maïs) is geen duidelijke trend in het organische stofgehalte waargenomen.

P-AL gehalte op peil

Het P-AL gehalte in grasland op zandgrond is door de jaren heen op peil gebleven. Op klei en veen is er een positieve ontwikkeling van het P-AL gehalte in grasland waargenomen en op löss nam het P-AL gehalte af. Bij evenwichtsbemesting (P-aanvoer is gelijk aan de P-onttrekking) is de verwachting dat de fosfaattoestand gemiddeld niet zal afnemen. Op percelen met een jaarlijks negatief P-overschot neemt de fosfaattoestand af. In het algemeen zijn dit percelen met een hoge beginwaarde van de fosfaattoestand.

Forse verschillen huis- en veldkavels

De samenhang tussen de ontwikkeling van de bodemvruchtbaarheid en het management is op vier bedrijven meer in detail geanalyseerd. Er zijn geen aanwijzingen voor een afname van de fosfaattoestand tot niveaus die bemestingskundig als laag of onvoldoende worden aangegeven. Op bedrijf Hoefmans nam het P-AL getal in de eerste helft van de onderzoeksperiode (1999-2012) duidelijk af, maar in de tweede helft van de onderzoeksperiode stabiliseerde het P-AL getal op een ruim voldoende niveau.

Vaak worden percelen die op ruime afstand liggen van bedrijfsgebouwen, de zogenaamde veldkavels, vooral gebruikt voor akkerbouwmatige teelten. Soms wordt er relatief weinig dierlijke mest gebruikt. De huiskavel vormt dan vaak de tegenhanger in de zin dat ze vooral gebruikt wordt als grasland met relatief hoge mestgiften. Dit leidt tot een ongelijkmatige verdeling van organische stof en fosfaat met als gevolg een afname van de bodemvruchtbaarheid op de veldkavel percelen. Op perceelsniveau zien we veelvuldig dat de percelen met een hoge beginwaarde van organische stof en P-AL dit ‘begin niveau’ niet kunnen handhaven en dat op percelen met een relatief lage beginwaarde juist een toename optreedt.