Nieuws

Cameratoezicht op wilde vogels bij pluimveebedrijf met uitloop

Gepubliceerd op
15 december 2015

Om inzicht te krijgen in de aanwezigheid van wilde (water)vogels in de uitloop van pluimveelegbedrijven gaat Central Veterinary Institute (CVI), onderdeel van Wageningen UR, gedurende heel 2016 vierentwintig uur per dag, zeven dagen per week, bezoek van wilde (water) vogels aan de uitloop vastleggen met videocamera’s op een legpluimveebedrijf met een uitloop.

Uit eerder epidemiologisch onderzoek bleek dat bedrijven met uitloop de grootste kans hebben op besmetting met vogelgriep. De gegevens die uit dit nieuwe onderzoek voortkomen, zullen gebruikt worden voor onderzoek naar interventiemethoden die het risico op infectie met vogelgriep op uitloopbedrijven moet verkleinen.

Achtergrond
In Nederland hebben pluimveelegbedrijven met uitloop een aanzienlijk grotere kans om geïnfecteerd te raken met vogelgriep dan bedrijven zonder uitloop. In de meeste gevallen betreft het infectie met een laag pathogene variant. Vogelgriep wordt veroorzaakt door het aviaire influenzavirus en kent laag pathogene (LPAI) en hoog pathogene (HPAI) varianten. LPAI leidt bij pluimvee tot milde verschijnselen, zoals eilegdaling, verminderde voeropname en een tijdelijke verhoging van de uitval.

Rol wilde (water)vogels
Wilde (water)vogels worden beschouwd als het reservoir van vogelgriepvirussen; zij dragen de virussen bij zich, maar worden er zelf niet ziek van. Er zijn verschillende subtypes (H1 tot en met H16) van het vogelgriepvirus. Laag pathogene subtypes H5 en H7 kunnen muteren naar hoog pathogene vogelgriepvirussen, die aanzienlijke sterfte onder besmet pluimvee kunnen veroorzaken en ook voor mensen een gevaar kunnen zijn. Infecties met HPAI subtype H5 en H7 zijn aangifte- en bestrijdings­plichtige aandoeningen; sinds 2005 zijn infecties van pluimvee met LPAI subtype H5 en H7 dat ook. Dit betekent dat bedrijven met een van deze subtypen geruimd moeten worden.

Surveillance op vogelgriep
Na de epidemie met de hoog pathogene vogelgriep H7N7 in Nederland in 2003 wordt er intensiever gezocht naar besmettingen met LPAI virussen bij pluimvee. Regelmatig zijn er sindsdien pluimvee­bedrijven gevonden in Nederland (30-50 bedrijven per jaar) waarvoor aan aanwijzingen waren dat zij waren blootgesteld aan vogelgriep. Het is waarschijnlijk dat veelvuldige aanwezigheid van wilde (water)vogels in de uitloop de kans op blootstelling van pluimvee aan vogelgriepvirus verhoogt. Tot nu toe zijn er geen kwantitatieve gegevens bekend van welke wilde (water)vogels in welke aantallen en met welke frequentie, welke dagdelen en welke maanden van het jaar op de uitloop van legpluimveebedrijven komen.

Onderzoek
Om meer kwantitatief inzicht te krijgen in de aanwezigheid van wilde (water)vogels op de uitloop pluimveebedrijven, gaat CVI geheel 2016 op een legpluimveebedrijf met een uitloop, 24 uur per dag met videoapparatuur (overdag in kleur en s’ nachts met infraroodopnamen) bezoek van wilde (water) vogels aan de uitloop vastleggen met videocamera’s. De uitgezochte locatie voor dit onderzoek is een legpluimveebedrijf met uitloop dat de afgelopen jaren meerdere keren besmet werd met laag pathogene vogelgriep. De resultaten zullen onder meer worden gebruikt om in de toekomst een wetenschappelijk onderbouwd ontwerp te kunnen maken voor een interventiestudie. Hierbij worden een aantal bedrijven met uitloop gevolgd, waarop bij enkele wel en andere bedrijven geen methode om wilde (water)vogels te weren uit een uitloop zal worden toegepast.