Nieuws

Duurzaam vervangen van Zuid-Amerikaans sojaschroot door Europees eiwit blijkt lastig

Gepubliceerd op
4 december 2014

Zuid-Amerikaanse sojaschroot in startvoer voor vleesvarkens vervangen door Europese eiwitbronnen leidt nu vaak nog niet tot een geringere Carbon Footprint (CFP). Om de CFP van Europese eiwitten te verlagen zijn innovaties nodig. Dit blijkt uit een duurzaamheidsanalyse, uitgevoerd door Wageningen UR Livestock Research in samenwerking met Natuur & Milieu, Nevedi en de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij.

Geïmporteerde sojaschroot uit Zuid-Amerika is momenteel een van de belangrijkste eiwitbronnen in diervoeders. Er is toenemende vraag naar eiwitbronnen van Europese herkomst. De voersector heeft wel de vraag gesteld wat de duurzaamheidseffecten zijn ten opzichte van de huidige situatie, waarbij eiwit wordt geïmporteerd in de vorm van sojaschroot. Daarom is een studie uitgevoerd naar de duurzaamheid van enkele Europese eiwitbronnen. Dit onderzoek is uitgevoerd door Wageningen UR Livestock Research in het kader van de PPS Feed4Foodure, in samenwerking met Natuur & Milieu, Nevedi en de Uitvoeringsagenda Duurzame Veehouderij.

Onderzoek naar eiwitbronnen van Europese herkomst

Voor de studie zijn de volgende grondstoffen geselecteerd: sojaschroot geteeld in Nederland en in de Oekraïne, zonnebloemzaadschroot, pluimveevleesmeel, DDGS (Distillers Dried Grains with Solubles), meelwormen, algeneiwit en single cell proteins. Op basis van data uit de literatuur en de systematiek van het programma FeedPrint zijn de nutritionele waarde en de carbon footprint (CFP) vastgesteld. Deze eiwitbronnen zijn ingerekend in een startvoer voor vleesvarkens, waarbij de nutritionele waarde van het startvoer constant is gehouden. Startvoer met Zuid-Amerikaanse sojaschroot gold hier als referentie. Vervolgens is de CFP van het startvoer vastgesteld, zowel met als zonder de bijdrage van “land use and land use change” (Luluc). Deze scenario’s zijn doorgerekend volgens de principes van de zogenaamde ‘attributional LCA’ benadering, waarbij geen rekening is gehouden met mogelijke verdringingseffecten. Aanvullend zijn drie scenario’s uitgewerkt volgens het principe van een ‘consequential LCA’, waarbij mogelijke verdringingseffecten wel zijn meegenomen.

Conclusies

Belangrijke conclusies -gebaseerd op de attributional LCA benadering- zijn:

  • Uit de reeks onderzochte grondstoffen komen slechts twee opties naar voren zonder toename van de CFP, om sojaschroot van Zuid-Amerikaanse herkomst in startvoer voor vleesvarkens te vervangen door eiwitbronnen van Europese herkomst;
  • Vervanging van 12% Zuid-Amerikaanse sojaschroot door 12% Nederlandse of Oekraïense sojaschroot in het voer resulteert in een beperkte afname van de CFP van 595 naar respectievelijk 580 en 592 g CO2-eq. per kg mengvoer. Deze afname wordt met name veroorzaakt door een afname in transportafstand;
  • Vervanging van 12% Zuid-Amerikaanse sojaschroot door 2.5% pluimveevleesmeel resulteert in een beperkte afname van de CFP van 595 naar 591 g CO2-eq. per kg mengvoer. Het hoge fosforgehalte van pluimveevleesmeel is een belangrijke reden voor het lage inmengingspercentage in het voer; deze berekeningen zijn echter gebaseerd op gedateerde voedingswaarden en verteerbaar fosforgehalten van de pluimveevleesmelen; er is behoefte aan actualisatie van deze waarden;
  • Alle andere onderzochte scenario’s voor vervanging van Zuid-Amerikaanse sojaschroot resulteren in een stijging van de CFP van het voer

Toekomstscenario's

Om de CFP van Europese eiwitten te verlagen zijn innovaties nodig. Vanuit nutritioneel oogpunt zijn veel gangbare en alternatieve eiwitten perspectiefvol voor verwerking in diervoeders (Van Krimpen et al., 2013). Aquatische eiwitten (zoals wieren en algen) leggen bovendien geen beslag op bestaande landbouwgronden, zodat de ontwikkeling van deze teelten kan bijdragen aan het vergroten van de Europese eiwitproductie. Insecten zijn in staat om laagwaardig eiwit om te zetten in hoogwaardiger eiwit, zodat de insectenteelt mogelijk ook een waardevolle bijdrage kan leveren aan de Europese eiwitvoorziening. De omzetting van reststroomeiwit naar insecteneiwit als grondstof voor diervoeders betekent een extra schakel in de voedselketen. Dit houdt in dat er onvermijdelijke verliezen optreden, wat de carbon footprint verhoogt. Om de carbon footprint van eiwithoudende gewassen te verlagen is het noodzakelijk dat de productie efficiënter wordt. In Europa zal meer aandacht besteed moeten worden aan de veredeling en verbetering van teeltomstandigheden van deze gewassen, zodat hogere opbrengsten per hectare gerealiseerd worden. Indien vochtrijke producten worden gedroogd (DDGS) is er behoefte aan toepassing van meer energiezuinige droogtechnieken, zodat de footprint daalt.

De volledige uitkomsten van de duurzaamheidsanalyse zijn te vinden in het eindrapport.