voedselnis

Persbericht

Ecologen maken eerste afbeelding van de voedselnis

Gepubliceerd op
9 juli 2014

Het begrip ecologische ‘nis’ of niche is erg belangrijk in de ecologie. Maar hoe zo’n nis eruit ziet is tamelijk abstract. Wageningse en Britse onderzoekers hebben dat nu voor het eerst concreet gemaakt. De ecologen konden de positie van veertien vissoorten in relatie met hun voedsel vastleggen in een vierdimensionaal voedselnis-diagram. Hun baanbrekende werk is gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Theoretical Ecology van deze maand.

Het begrip ecologische ‘nis’ werd voor het eerst in 1927 gebruikt door de beroemde dierecoloog Joseph Grinnell. Hij definieerde de nis van een dier als ‘zijn plaats in de biologische omgeving en zijn interacties met voedsel en vijanden. Het idee dat de ecologische rol van dieren wordt bepaald door hun positie in een abstracte ’nisruimte’ heeft vele ecologen geïnspireerd.

Meer dan tachtig jaar na Grinnell’s formulering hebben Leo Nagelkerke van Wageningen University en Axel Rossberg van het Centre for Environment, Fisheries and Aquaculture Science (Cefas) in Lowestoft (VK) deze nisruimte concreet meetbaar gemaakt voor een selecte groep vissoorten: de barbelen van het Tana-meer in Noord-Ethiopië (zie figuur).

Een afbeelding van de eerste twee dimensies van de voedselnis. Gele ruitjes met tweeletter afkortingen geven de vissoorten (predatoren) aan, de blauwe vierkantjes hun prooien. Hoe dichter predatoren en prooien bij elkaar staan, hoe groter hun interactie is. Deze interacties worden bepaald door eigenschappen van zowel de predatoren (doorgetrokken pijlen) als hun prooien (gestippelde pijlen).  Voorbeeld: Vissoort ‘Cr’ (Labeobarbus crassibarbis) ligt vlak bij het voedseltype ‘benthic invertebrates and algae’ (bodemdiertjes en algen). Het kenmerk ‘Barbel’ (de lengte van de bekdraden) is bij deze vissoort sterk ontwikkeld en uit eerder onderzoek is inderdaad gebleken dat bekdraden belangrijk zijn om dit type voedsel te eten. Het voedsel zelf heeft juist een heel lage score op het kenmerk ‘Pelagic’ (zwemmen in de waterkolom) wat klopt voor bodemdiertjes.
Een afbeelding van de eerste twee dimensies van de voedselnis. Gele ruitjes met tweeletter afkortingen geven de vissoorten (predatoren) aan, de blauwe vierkantjes hun prooien. Hoe dichter predatoren en prooien bij elkaar staan, hoe groter hun interactie is. Deze interacties worden bepaald door eigenschappen van zowel de predatoren (doorgetrokken pijlen) als hun prooien (gestippelde pijlen). Voorbeeld: Vissoort ‘Cr’ (Labeobarbus crassibarbis) ligt vlak bij het voedseltype ‘benthic invertebrates and algae’ (bodemdiertjes en algen). Het kenmerk ‘Barbel’ (de lengte van de bekdraden) is bij deze vissoort sterk ontwikkeld en uit eerder onderzoek is inderdaad gebleken dat bekdraden belangrijk zijn om dit type voedsel te eten. Het voedsel zelf heeft juist een heel lage score op het kenmerk ‘Pelagic’ (zwemmen in de waterkolom) wat klopt voor bodemdiertjes.

De onderzoekers leidden de posities in het diagram af van de kenmerken van zowel de vissen als hun voedsel. Zo is in het diagram te zien dat de vissoort ‘Cr’ (Labeobarbus crassibarbis) dicht aanligt tegen het voedseltype ‘benthic invertebrates and algae’ (bodemdiertjes en algen). Het kenmerk ‘Barbel’ (de lengte van de bekdraden) is bij deze vissoort sterk ontwikkeld en uit eerder onderzoek is inderdaad gebleken dat bekdraden belangrijk zijn om dit type voedsel te eten. Het voedsel zelf heeft juist een heel lage score op het kenmerk ‘Pelagic’ (zwemmen in de waterkolom) wat klopt voor bodemdiertjes.

Ecologische nis

Het zichtbaar maken van een ecologische nis is een belangrijke stap in het verbinden van theoretische en abstracte ecologie en waarnemingen uit het veld. Leo Nagelkerke van Wageningen University zegt dat deze methode kan helpen om soorten te identificeren en beschermen die een unieke voedselnis hebben. Volgens Axel Rossberg van Cefas houdt de structuur van de voedselnis en de positie van soorten daarin veel ecologen al lang bezig. "Met deze nieuwe afbeeldingstechniek kunnen we dergelijke vragen beantwoorden via directe waarnemingen."