Effect van fosfaatreductieplan op koeien en kansen bedrijven

Nieuws

Effect van fosfaatreductieplan op Koeien & Kansen bedrijven

Gepubliceerd op
24 januari 2017

Negen van de 16 Koeien en Kansen-bedrijven moeten in 2017 gaan inkrimpen om aan de afspraken van het fosfaatreductieplan te kunnen voldoen. De krimp op een gemiddeld Koeien en Kansen-bedrijf moet bijna 8 GVE zijn om korting op het melkgeld te voorkomen.

Omdat er in 2017 nog geen fosfaatrechtenstelsel van kracht is, hebben diverse partijen in de zuivelsector afspraken gemaakt om de fosfaatuitstoot van de melkveeveestapel te verminderen. Dit is nodig omdat Nederland door de groei van de melkveesector in 2015 meer fosfaat heeft geproduceerd dan de maximaal 172,9 miljoen kg fosfaat die met de Europese Commissie is afgesproken. Niet voldoen aan deze afspraak kan het gevolg hebben dat Nederland de derogatie verliest.

Afspraken voor fosfaatreductie

Partijen die betrokken zijn bij de zuivel (LTO Nederland, NMV, NAJK, NZO, Nevedi, banken en het Ministerie van Economische Zaken) hebben afgesproken in 2017 de fosfaatproductie met 8,2 miljoen kg te verlagen. Dit wil men doen via een lager P-gehalte in krachtvoer (maximaal 4,3 g fosfor per kg krachtvoer), door een bedrijfsbeëindigingsregeling en door het fosfaatreductieplan van ZuivelNL. In dit laatste plan kunnen melkveehouders kiezen voor een melkgeldregeling of een GVE-reductieregeling.

GVE-reductieregeling Koeien en Kansen en De Marke

Voor de Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke is in Figuur 1 in beeld gebracht of de bedrijven per 1 januari 2017 al voldoen aan de GVE-referentienorm of dat verdere krimp in 2017 nog nodig is.

Figuur 1: Vergelijking aantal GVE op Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van de referentie (maximaal aantal GVE aan te houden, incl. 4% korting op overschotbedrijven
Figuur 1: Vergelijking aantal GVE op Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van de referentie (maximaal aantal GVE aan te houden, incl. 4% korting op overschotbedrijven

Figuur 1 laat zien dat Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke gemiddeld bijna 175 GVE hebben per 1 januari 2017. Dit terwijl de referentienorm 167 GVE is. Gemiddeld zullen de bedrijven in de loop van 2017 dus met ongeveer 8 GVE moeten krimpen om aan de sectorale afspraken te voldoen. Van de 17 bedrijven in dit overzicht hebben 8 bedrijven minder dan de GVE-referentienorm en hoeven dus niet in te krimpen. 9 bedrijven moeten nog wel terug in het aantal GVE. Bedrijven 2,6,7 en 10 zullen in 2017 nog fors minder dieren moeten aanhouden wanneer ze meedoen aan de GVE-reductieregeling.

Weinig groei ten opzichte van 1 oktober 2016

In Figuur 2 is de groei ten opzichte van oktober 2016 weergegeven. Deze groei blijkt vrij laag te zijn. De groei vanaf die datum zal bovenop de periodieke korting (5% ten opzichte van 1 oktober 2016) al in de eerste periode van 2017 ongedaan gemaakt moeten worden. Figuur 2 laat zien dat vooral bedrijf 7 hier mee te maken krijgt omdat dit bedrijf sinds oktober nog met bijna 19 GVE is gegroeid. Gemiddeld zijn de Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke sinds 1 oktober 2016 met ongeveer 1 GVE gekrompen. Twaalf van de 17 bedrijven hebben per 1 januari 2017 minder GVE dan per 1 oktober 2016.
Sinds de referentieperiode (2 juli 2015) is het aantal GVE’s van de Koeien en Kansenbedrijven en De Marke met gemiddeld ongeveer 3 GVE gestegen. Opvallend is dat dit vooral komt door ongeveer 6 koeien meer aan te houden, terwijl de jongveebezetting in die periode met ongeveer 1 stuks per 10 melkkoeien is afgenomen.

Figuur 2: Vergelijking aantal GVE op Koeien en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van 1 oktober 2016.
Figuur 2: Vergelijking aantal GVE op Koeien en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van 1 oktober 2016.

Eerste stap in periodieke krimp nog niet gezet

Figuur 1 laat zien dat 9 bedrijven in 2017 moeten gaan krimpen om de GVE-referentienorm te halen. In Figuur 3 is te zien hoeveel bedrijven de eerste stap in 2017 al hebben gezet en tenminste 5% minder GVE aanhouden dan per 1 oktober 2016. In deze figuur komt naar voren dat geen enkel van deze bedrijven met 5% of meer is ingekrompen ten opzichte van 1 oktober 2016. De 9 bedrijven uit Figuur 1 die moeten inkrimpen zullen in januari of februari allemaal hun veestapel nog moeten inkrimpen om een melkgeldkorting (800 kg melk per teveel aangehouden GVE) te voorkomen.

Krimpstappen in meerdere periodes nodig

Figuur 3: Vergelijking aantal GVE op Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van doel eerste periode 2017 (GVE per 1 oktober 2016 minus 5%). (Van de bedrijven die per 1 januari 2017 de GVE-referentie al hebben gehaald, zijn de resultaten licht gearceerd, deze bedrijven hebben hun doel al gehaald.)
Figuur 3: Vergelijking aantal GVE op Koeien- en Kansen-bedrijven en De Marke per 1 januari 2017 ten opzichte van doel eerste periode 2017 (GVE per 1 oktober 2016 minus 5%). (Van de bedrijven die per 1 januari 2017 de GVE-referentie al hebben gehaald, zijn de resultaten licht gearceerd, deze bedrijven hebben hun doel al gehaald.)
Figuur 4: Maximum aantal GVE bij periodieke krimp, bij de bedrijven die moeten reduceren in dieraantallen, in vergelijking met het einddoel van GVE (rode balk is doelstelling GVE referentie). (De rode pijl geeft aan in welke periode het doel wordt gehaald, als de korting op melkgeld voorkomen wordt.)
Figuur 4: Maximum aantal GVE bij periodieke krimp, bij de bedrijven die moeten reduceren in dieraantallen, in vergelijking met het einddoel van GVE (rode balk is doelstelling GVE referentie). (De rode pijl geeft aan in welke periode het doel wordt gehaald, als de korting op melkgeld voorkomen wordt.)

In de maanden na februari zullen 6 van de bedrijven meer dan 5% moeten krimpen ten opzichte van 1 januari 2017 om aan de GVE-referentienorm te voldoen. 5 bedrijven moeten meer dan 10% inkrimpen in GVE, waarvan 1 bedrijf (bedrijf nummer 10) zelfs ruim 20% zal moeten inkrimpen om de GVE-referentienorm te halen. Om dit te illustreren is in Figuur 4 het maximaal aantal aan te houden GVE’s getoond van de 9 bedrijven die minder GVE moeten aanhouden, vergeleken met de GVE-referentienorm. Bij het halen van de norm kan het proces van vermindering van het aantal GVE worden stopgezet.
Veel Koeien en Kansen-bedrijven zullen in het komende jaar (periodieke) stappen moeten zetten om aan de afspraken in het fosfaatreductieplan te kunnen voldoen. In de vijfde periode zullen alle bedrijven hun uiteindelijke krimp behaald moeten hebben.
Overigens zal niet voor alle bedrijven de GVE-regeling het beste zijn. Bedrijf 4 bijvoorbeeld gaat minder jongvee uitbesteden en zal daardoor meer GVE’s op het bedrijf krijgen. Voor dit bedrijf zal de melkgeldregeling waarschijnlijk gunstiger uitpakken.

Houdt rekening met dynamiek in dieraantallen

Binnen de GVE-reductieregeling wordt per maand gekeken naar het aantal aanwezige GVE’s. Dit aantal is gemaximeerd. Omdat op een bedrijf regelmatig kalveren worden geboren, kalveren pink worden en pinken koe worden, kan het aantal GVE’s ongemerkt toenemen. Het is daarom van belang om regelmatig jongvee en koeien af te voeren zodat het totaal aantal GVE’s niet boven de gestelde normen uitkomt. Bedrijven die moeten krimpen zullen extra dieren moeten afvoeren bovenop het aantal dieren dat normaal al wordt afgevoerd.

Toelichting regelingen

Melkgeldregeling

De melkgeldregeling houdt in dat het melkgeld wordt gekort wanneer de melklevering hoger is dan de melklevering van 2015 (minus een generieke aftrek van 4% voor bedrijven die in 2015 een fosfaatoverschot hadden). De overproductie wordt per maand bepaald. De melkveehouder mag kiezen of het melkleverpatroon van 2015 of 2016 de basis is voor de berekening (patroon uiteraard verrekend met levering van 2015 met 4% korting). Voor de teveel geleverde melk vindt een korting plaats van 90% van de kale melkprijs.

GVE-regeling

Wanneer melkveehouders niet willen meedoen aan de melkgeldregeling, dan geldt de GVE-reductieregeling. Deze regeling houdt in dat de melkveehouder in periodieke stappen (van tenminste 2 maanden) het aantal GVE’s moet reduceren tot of onder de GVE-referentienorm. Deze norm is voor bedrijven met een fosfaatoverschot (verplichte mestafvoer) in 2015 het aantal GVE’s per 2 juli 2015 min 4% generieke korting. Voor bedrijven zonder fosfaatoverschot in 2015 is de referentie gelijk aan het aantal GVE’s per 2 juli 2015.
Bedrijven die meer GVE’s hebben dan hun GVE-referentienorm zullen stapsgewijs moeten inkrimpen. In de eerste periode van 2017 zal het aantal GVE’s 5% lager moeten zijn dan per 1 oktober 2016, in de tweede periode zal dit 10% lager moeten zijn, in de derde 20% en in de vierde 40% lager. Is de GVE-referentienorm in de vierde periode nog niet gehaald, dan zal het bedrijf in de vijfde periode moeten krimpen naar dit niveau toe. Wanneer het bedrijf per periode onvoldoende krimpt, dan volgt een korting op het melkgeld. Per maand wordt per teveel aangehouden GVE (boven de periodieke "krimpnorm") 800 kg melkgeld ingehouden, ongeacht de werkelijke melkproductie per koe. Er wordt bij de inhouding met 90% van de kale melkprijs gerekend.
Als in de eerste maand van een periode de reductie niet tot het vastgestelde percentage is gerealiseerd, wordt de eerder genoemde korting toegepast over alle boventallige GVE’s ten opzichte van de GVE-referentie. Als in de tweede maand van diezelfde periode alsnog de reductie wordt gerealiseerd, wordt de korting terugbetaald.
Bedrijven die zich aan de stapsgewijze inkrimping houden, krijgen geen korting op hun melkgeld maar betalen nog wel een solidariteitsheffing zolang de referentiehoeveelheid GVE’s niet is bereikt Deze heffing is 20% van de kale melkprijs over 800 kg melk per GVE boven de GVE-referentienorm. Bedrijven die sinds 2 juli 2015 met meer dan 4% zijn gekrompen, ontvangen een bonus.