News

Evaluating the added value of the ‘Educatieve Module’

Published on
September 30, 2020

ELS offers a teacher education program of 30 credits, called the Education Module. This module can be integrated as minor in the Bachelor curriculum (called ‘minor’) or can be made part of a Master or even be done after a Master (called ‘module’). ELS is conducting an evaluation for the Association of Netherlands Academic Universities (VSNU) of this program. In this contribution we will highlight some first results of this evaluation – which overall shows clear added value of the module.

Because of the topic and nature of the evaluation, this news item is in Dutch.

Om de instroom in de universitaire lerarenopleidingen voor het voortgezet onderwijs te verhogen, hebben de universitaire lerarenopleidingen (ULO’s) meer en flexibeler routes naar het leraarschap in het voortgezet onderwijs gecreëerd. Een mooi voorbeeld hiervan is de educatieve minor, waarmee bachelor studenten, uit een aan een schoolvak verwante opleiding, in een half jaar een beperkte tweedegraads bevoegdheid voor het onderwijzen van het schoolvak op het vmbo-tl en de onderbouw van havo/vwo kunnen behalen. Recent is hieraan een nieuwe route toegevoegd, namelijk de pilot met de zogenaamde educatieve module. Beide programma’s hebben een omvang van 30 ects en ook hun inhoud komt grotendeels overeen. Het grote verschil is dat de module gevolgd kan worden door studenten die al een bachelor hebben afgerond.

Momenteel wordt deze variant door tien universitaire lerarenopleidingen aangeboden. Het merendeel van de lerarenopleidingen organiseert het programma in blokvorm gedurende 1 semester, enkelen bieden de mogelijkheid om dit in deeltijd te doen. In de periode 2016-2017 - 2019/2020 zijn bijna 350 studenten ingestoomd in de educatieve module. Dit beslaat een vijfde van het aantal studenten dat graag een beperkte tweedegraads bevoegdheid wil behalen.

De evaluatie heeft onder andere als doel meer zicht krijgen op de kenmerken van deze deelnemers; in hoeverre onderscheiden ze zich van deelnemers aan de educatieve minor, hoe beoordelen ze het programma, en, niet onbelangrijk, gaan ze daadwerkelijk aan de slag als leraar? Deze en andere vragen worden niet alleen vanuit het perspectief van de (oud) studenten, maar ook vanuit de opleiders en de scholen benaderd. Bijna 650 (oud) studenten en ruim 80 opleiders hebben een uitgebreide vragenlijst ingevuld. Het scholenveld wordt dit najaar bevraagd. Daarnaast is gebruik gemaakt van in-en uitstroomcijfers die het ICL in kaart heeft gebracht.

Ongeveer de helft van instromers in de educatieve module van het programma wil een bevoegdheid halen voor een vak binnen het bèta cluster, waarbij wiskunde, natuurkunde en biologie het meest voorkomen. Het lijkt erop dat deelname aan de educatieve module meer een loopbaankeuze dan een studiekeuze betreft: bevraagde minor studenten geven vaker dan module studenten aan het programma te volgen ter oriëntatie op het beroep, het ontwikkelen van communicatieve vaardigheden of het opdoen van praktijkervaring. Module studenten daarentegen maken meer gebruik van het kwalificerende doel van het programma, namelijk het behalen van een bevoegdheid om vervolgens voor de klas te kunnen staan. We zien ook dat module studenten ouder zijn en vaker dan minor studenten eerdere ervaring hebben opgedaan als docent (onbevoegd of in het hoger onderwijs). Dit duidt dat er een verschil in levensfase bestaat tussen de module en minor studenten. Opleiders ervaren dit verschil ook.

Verschil in levensfase speelt een rol in de manier waarop module studenten het programma doorlopen en de problemen die zij daarbij ervaren. Module studenten geven vaker dan minor studenten aan moeite te hebben de opleiding te combineren met andere verplichtingen (werk, gezin, zorg). Opleiders bevestigen dit en geven daarbij aan dat module studenten over het algemeen wat meer levenservaring hebben en beter om kunnen gaan met ‘arbeidsethos’. Tegelijkertijd zoeken ze meer naar fundering, hebben daardoor meer ruimte en tijd nodig en zijn daardoor kritischer naar de opleiding.

Ruim 80 procent van de studenten die die opleiding heeft afgerond geeft aan nogmaals de keuze voor het programma te maken. Studenten die gemotiveerd waren leraar te worden lijken zich zelfverzekerder te voelen over het leraarschap dan de groep die zich middels het programma wilde oriënteren op het beroep. Dit zou betekenen dat module studenten vaker als leraar aan de slag gaan dan minor studenten. De bevindingen bevestigen inderdaad dat module studenten vaker in het onderwijs werkzaam zijn (geweest) dan minor studenten (65% versus 35% respectievelijk). Minor studenten volgen daarentegen vaker een opleiding om een eerstegraadsbevoegdheid te halen. Onder de bevraagde groep studenten die als leraar voor de klas staat geven module studenten aan meer tevreden te zijn dan minor studenten over begeleiding door en betrokkenheid in de school. Ze hebben dan ook minder vaak overwogen te stoppen als leraar.

Deze selectie van bevindingen geeft aan dat, ondanks het relatief lage aantal instromers, de educatieve module van meerwaarde is voor een specifieke doelgroep; studenten die gemotiveerd zijn om leraar te worden, een voltijd of deeltijdopleiding van een of meer jaar niet zien zitten, maar wel ruimte hebben om hier vijf maanden voor vrij te maken. Des te meer is het van belang om bestaande knelpunten rond complexe instroomprocedures, bekostiging, studeerbaarheid, begeleiding én bekendheid aan te pakken waardoor meer geïnteresseerden een weg naar het onderwijs zullen vinden via deze specifieke variant.

Bovenstaande geeft een geringe selectie van bevindingen in de evaluatie weer. Specifieke knelpunten rond het verhogen van de instroom die aan bod komen in de eindrapportage betreffen de problematiek rond de verwantschapstabel, de bekendheid van de opleidingsvariant onder zowel de faculteiten als de scholen, de bekostiging én de studeerbaarheid van het programma. De eindrapportage zal eind december 2020 gereed zijn.

Contact