Nieuws

Gewasbescherming 2.0: minder milieubelasting in EU

Gepubliceerd op
24 januari 2014

Vóór 2023 moeten alle lidstaten van de EU voldoen aan strengere richtlijnen ten aanzien van Integrated Pest Management, IPM. “Kern van de nieuwe richtlijn is het terugdringen van de milieubelasting door bestrijdingsmiddelen”, vertelt dr. Piet Boonekamp, manager van de business unit Bio-interacties en Plantgezondheid van Wageningen UR. “Dat Europese doel is in principe goed haalbaar, dat bewijst de Nederlandse land- en tuinbouw. Maar dan moeten de Europese politici zich niet verliezen in bedilzucht over de details.”

Preventie, monitoring en bestrijding

De geïntegreerde gewasbestrijding van de toekomst moet volgens de Europese regels drie opeenvolgende stappen doorlopen. Al bij het plannen van de teelt en het kiezen van de planten moeten preventieve maatregelen worden genomen, zoals het werken met ziektevrij zaad en het kiezen van resistente rassen. Tijdens de teelt moet het gewas goed in de gaten worden gehouden en als er dan toch een ziekte of plaag dreigt uit te breken moet de bestrijding op een zorgvuldige manier worden gekozen. ‘Chemie’ is daarbij het laatste redmiddel.

“Binnen elk van die drie stappen zijn nog verschillende onderdelen te onderscheiden”, vertelt Boonekamp. “Wat nu dreigt te gebeuren is dat de Europese politici voor al die afzonderlijke onderdelen ‘nulmetingen’ en doelen willen afspreken. Dat creëert een onwerkbare situatie. Ik wil er dan ook voor pleiten dat Europa alleen het uiteindelijke doel stelt: hoeveel moet de milieubelasting door bestrijdingsmiddelen vóór 2023 dalen? Hóe de boeren en producenten van middelen dat gaan bereiken? Daar zijn ze mans genoeg voor om dat zelf te bedenken, met gereedschappen die het onderzoek hen aanreikt. Dat is voor de verschillende teelten, grondsoorten en situaties ook niet centraal te regelen.’

Schoner oppervlaktewater

Op dit moment hoort Nederland tot de Europese top als het gaat om de beperking van residuen van bestrijdingsmiddelen op verse producten. Toch is er ook voor de Nederlandse agrosector nog genoeg te doen. Door onze hoge opbrengst per hectare is de belasting van bestrijdingsmiddelen per hectare bijvoorbeeld wél relatief hoog. In de specifieke, relatief natte Nederlandse situatie moet met name de belasting van het oppervlaktewater nog verder worden beperkt. Boonekamp: “We zullen dus geavanceerde, geïntegreerde gereedschappen moeten ontwikkelen voor ieder teeltsysteem, om aan de richtlijn te kunnen gaan voldoen.”

Duurzame gewasbescherming

durph_gm.jpg

Het project rond de duurzame bestrijding van Phytophthora, DuRPh, biedt volgens Boonekamp een mooi vergezicht hoe duurzame bestrijding van ziekten en plagen ook in andere teelten kan worden georganiseerd. “Binnen DuRPh werken we aan het verzamelen van verschillende resistentiegenen in één aardappel. Daarnaast volgen we de ‘virulentiegenen’ die de phytophthora veroorzakende schimmels gebruiken om de aardappel te infecteren. Alleen als er schimmels met ‘riskante virulentiegenen’ in de buurt van een veld worden gevonden, kan een aardappelteler spuiten. In andere gevallen kan de resistente aardappel de schadelijke schimmel zelf weren.”
Om dat project DuRPh van het lab naar de praktijk te kunnen brengen doet Boonekamp ook een dringend appèl aan de politiek. “Het stapelen van resistentiegenen uit aardappels is een perfect voorbeeld van geïntegreerde plaagbestrijding, maar het valt nu nog onder de wet op genetische modificatie. Dat is vanwege de maatschappelijke weerstand nog een te hoge drempel voor producenten om dit principe naar de praktijk te brengen. Dit soort zogenoemde cis-genese, dus het overbrengen van genen binnen één soort, moet uit de strenge wet op de genetische modificatie worden gehaald. Dan kan deze aanpak ook voor andere gewassen worden gevolgd.”

Biologische en chemische industrie moeten samenwerken

Niet alleen boeren en politici zullen stappen moeten zetten bij het realiseren van wat Boonekamp noemt ‘gewasbescherming 2.0’. “Ook de producenten van bestrijdingsmiddelen zullen hun manier van werken moet aanpassen. Verschillende grote producenten van bestrijdingsmiddelen hebben al aangegeven dat zij verwachten in de toekomst minstens een kwart van hun omzet uit biologische producten te halen. Dat gaat bijvoorbeeld om micro-organismen die net als chemische producten ingezet kunnen worden voor bestrijding van bepaalde ziekten en plagen. Maar dan moet je natuurlijk niet hebben dat een chemisch bestrijdingsmiddel van een collega, ingezet tegen een andere ziekte, die nuttige micro-organismen ook uitschakelt. Als de bescherming van een gewas tegen alle ziekten en plagen centraal komt te staan, met een diversiteit aan chemische en biologische middelen, zullen producenten van zowel chemische als biologische producten al in een vroege fase van de productontwikkeling verregaand moeten samenwerken. Onze kennis van de interactie tussen plant, ziekte, en biologische of chemische bestrijding kan de producenten helpen de goede afstemming van het middelenpakket te krijgen. Want alleen door een echt geïntegreerde manier van werken op alle niveaus kun je de belasting van mens, dier en milieu door bestrijdingsmiddelen betekenisvol verminderen.”