Grote sociaaleconomische gevolgen door mosseltransitie

Persbericht

Grote sociaaleconomische gevolgen door mosseltransitie

Gepubliceerd op
20 april 2018

De afspraken in het Mosselconvenant over de beperking van de bodemzaadvisserij en de ontwikkeling van mosselzaadinvanginstallaties (mzi’s) hebben grote gevolgen voor de productie en sociaal-economische situatie in de mosselsector. Door de extra kosten van de mzi’s en het grotere aanbod van mosselen is de economische rentabiliteit van de mosselsector gedaald en heeft een derde van de bedrijven het momenteel moeilijk.

Toch ziet een deel van de mosselkwekers mogelijkheden voor uitbereiding van het areaal van mzi’s, maar daarvoor zijn financiële middelen en optimalisatie van de percelen een drempel. Wageningen Economic Research en Wageningen Marine Research hebben in opdracht van de PO-Mosselcultuur een sociaal-economische evaluatie uitgevoerd, de resultaten worden vandaag door de onderzoekers aan de kwekers gepresenteerd.

In het Mosselconvenant 2008 hebben de producentenorganisatie Mosselcultuur, natuurorganisaties en overheid afgesproken dat de mosselsector stapsgewijs over gaat van de bodemvisserij op mosselzaad naar de invang van mosselzaad via mosselzaadinvanginstallaties. In totaal 40% van het areaal van de in het voorjaar aanwezige zaadbanken blijft momenteel gevrijwaard van bodemvisserij. Dit komt overeen met 28% van de totale visserij op mosselzaad. 

Ontwikkelingen in de mosselsector

Dankzij de input van mosselkwekers, accountants en banken is inzicht verkregen in de effecten van het Mosselconvenant. Wageningen Economic Research en Wageningen Marine Research concluderen dat de convenantafspraken grote gevolgen, positief en negatief, hebben voor de sector. Zo ligt de productie van de ontwikkelde mzi’s sinds 2010 hoger dan het deel van de productie van de mosselzaadvisserij dat is ingeleverd. Dit heeft geleid tot een verhoging van de mosselzaadproductie, die is opgelopen tot gemiddeld 9 miljoen kilo (gemiddeld over 2014-2016). Daarnaast zijn de fluctuaties in de zaadproductie met behulp van de mzi’s stukken lager dan in de bodemzaadvisserij.

De productie van mosselzaad met mzi’s heeft echter wel een prijs. De kostprijs van mzi-zaad lag de afgelopen jaren  rond de 45-60 cent/kg. Deze bestaat voor een groot deel uit kosten en afschrijvingen van de mzi’s, maar ook de kosten voor de extra benodigde arbeid zijn een belangrijk onderdeel. De overstap naar mzi’s en de hogere kostprijs van het mzi-zaad zorgden ervoor dat de sector in de periode 2014-2016 zo’n 6-9 miljoen euro extra kosten had voor de productie van mosselzaad in vergelijking met een situatie waarin alleen op bodemzaad zou zijn gevist.

De mzi’s hebben gezorgd voor extra werk en verhoogde werkdruk: niet alleen is de totale hoeveelheid werk fors groter geworden. Aan de mzi-productie besteedt de sector zo’n 1.100 werkdagen, terwijl de gehele zaadvisserij in een gemiddeld jaar zo’n vier weken is voor de hele vloot waarbij niet de hele week wordt gevist. Daarnaast zorgt de beperkte tijd voor het uitzetten en oogsten van de mzi’s voor een hogere werkdruk. Ook is het werk aan de mzi’s fysiek zwaarder, wat leidt tot een verhoogd risico op arbeidsgerelateerde blessures, en brengt het (zeker met slecht weer) meer risico’s voor ongelukken met zich mee.

De ontwikkeling van de mzi’s heeft geleid tot meer samenwerking tussen kwekers. Hiervoor zijn veel verschillende vormen ontwikkeld, die variëren van volledige samenwerking binnen een coöperatie tot het samen uitbesteden van een deel van de mzi-werkzaamheden. Het blijkt dat in de afgelopen jaren ook de samenwerking van mosselbedrijven in zogenoemde PO-clusters (informele samenwerkingsverbanden rond mosselkweek) is toegenomen. Van veel formele overnames is echter nog geen sprake.

Bovenstaande ontwikkelingen hebben naast sociale ook grote economische gevolgen gehad voor de positie van de mosselsector. Door de verhoogde productie van consumptiemosselen de afgelopen jaren is de mosselprijs sterk gedaald. Met andere woorden: de extra mosselen die de mzi’s hebben opgeleverd, hebben mede bijgedragen aan een lagere totale omzet van de mosselsector. Daarbij kwam in 2016 ook de invloed van de TTX-problematiek en de toegenomen importen van Duitse mosselen in de laatste jaren. De verhoging van de productie in Duitsland is mogelijk mede gestegen door de ontwikkeling van mzi's.

Economische positie van de mosselsector

Al met al hebben de ontwikkelingen rond de omschakeling van bodemzaad naar mzi-zaad in combinatie met verhoogde importen uit Duitsland en de TTX-problematiek er toe geleid dat in de laatste paar jaar de economische resultaten van de sector sterk zijn gedaald.

In 2016 behaalde de totale sector een totale winst van 4 miljoen euro, maar deze winst is niet gelijk verdeeld over de bedrijven: dit hangt voor een groot deel af van het bezit van kwalitatief goede kweekpercelen, waarmee goede omzetten behaald kunnen worden (hoge productie en/of goede kwaliteitsmosselen). Omdat de kostprijs gemiddeld hoger ligt (door onder andere duurder mosselzaad), kunnen bedrijven met grote leningen de slechtere jaren niet goed meer opvangen. Dit betekent dat de laatste jaren een groter aantal bedrijven in de problemen is geraakt.

Ook gesprekken met accountants en een enquête onder de mosselkwekers laten hetzelfde beeld zien: van de 57 bedrijven die antwoord gaven op de vraag naar de huidige financiële situatie van hun bedrijf gaf 21 procent aan dat hun bedrijf er goed voor staat en zegt 46 procent dat hun bedrijf binnen nu en een jaar onder water zal staan als het zo doorgaat. De rest van de groep (32%) 'staat onder water' of op de rand van een noodgedwongen verkoop of faillissement.

Onder de huidige omstandigheden hebben veel van de bedrijven weinig tot geen financiële ruimte om te investeren in nieuwe mzi’s. Bedrijven die wel willen investeren in uitbreiding zien optimalisatie van de kweekpercelen en toegang tot financiering voor de investeringen voor nieuwe mzi’s als randvoorwaarden voor verdere opschaling.

Mosselsector en het convenant

De algemene mening over het convenant binnen de sector is positiever dan tien jaar geleden toen het convenant werd afgesloten. 44 procent van de respondenten heeft in 2017 een veel positievere mening over het convenant dan bij de start; zo'n 27 procent heeft geen positievere mening gekregen en de rest (29 procent) weet het niet of heeft geen duidelijke mening. Een ruime meerderheid van 78 procent geeft aan dat het convenant (een zekere) rust heeft gebracht.

De sector is verdeeld over de haalbaarheid van een volgende stap in het convenant: de bodemvisserij nog verder beperken en tegelijk meer invangruimte creëren. Een minderheid van 10 procent geeft aan dat een volgende stap voor zijn bedrijf nu al haalbaar is, 28 procent geeft aan dat dit op dit moment niet haalbaar is, 23 procent heeft reserveringen bij de haalbaarheid, 36 procent stelt zich neutraal op en 3 procent weet het niet.

De belangrijkste drempel die genoemd wordt voor de volgende stap is de beschikbaarheid van betere percelen. Uit het onderzoek blijkt dat het kweekrendement de laatste jaren laag is (1,4 kg consumptiemosselen/kg zaad). De optimalisatie van de percelen, die ook onderdeel uitmaakt van de afspraken van het Mosselconvenant kan hier mogelijk bij helpen.

Marktontwikkeling en samenwerking

Een andere belangrijke drempel voor een nieuwe stap in het convenant is de beschikbaarheid van financiële middelen om te investeren in nieuwe mzi’s, en de kosten en baten van mzi’s. Hierin verschillen de bedrijven sterk. Een mogelijke oplossing is om binnen en buiten de sector op zoek te gaan naar goede verdienmodellen en/of financiële hulpmiddelen, of achterblijvers te helpen uit te treden zodat hun productiecapaciteit kan worden benut door beter renderende bedrijven.

Uit deze studie blijkt ook het grote belang van de prijsvorming van de mosselen voor de economische resultaten van de mosselsector. Een gedetailleerde analyse van de factoren die van invloed zijn op de mosselprijs (grootte, aanvoervolume, timing van aanvoer) zou kunnen helpen om de aanvoer beter af te stemmen op de vraag. Daarnaast kan samen met andere ketenpartijen mogelijk geleerd worden van andere Nederlandse teeltsectoren hoe de marktvraag kan worden vergroot.