Herkomst voedselgewassen verbinden landen wereldwijd

Nieuws

Herkomst voedselgewassen verbindt landen wereldwijd

Gepubliceerd op
20 juni 2016

Alle landen in de wereld zijn voor hun voedsel in sterke mate afhankelijk van ‘buitenlandse’ gewassen die oorspronkelijk uit gebieden komen ver buiten hun landsgrenzen. 70% van de gewassen die wij dagelijks eten komt oorspronkelijk uit andere delen van de wereld. Het blijkt uit onderzoek dat Colin Khoury van het International Center for Tropical Agriculture (CIAT) samen met Paul Struik van Wageningen UR, the Global Crop Diversity Trust en verschillende andere universiteiten heeft uitgevoerd. Zij hebben daarbij gekeken naar de herkomst van 151 gewassen, die onderdeel uitmaken van het dagelijks voedingspatroon van 177 verschillende landen.

Op vele tafels in Nederland verschijnt regelmatig de aardappel, maar aardappel is oorspronkelijk geen Nederlands gewas. De aardappel komt uit de Andes. En tarwe uit het Midden-Oosten. Tegenwoordig eten we regelmatig rijst uit Azië en drinken we koffie van koffiebonen uit Afrika.

Dat mensen veel ‘over de grens eten’ is op zichzelf geen grote verrassing. Wel verrassend is, is dat nu blijkt dat geen enkel land een voedselpatroon heeft dat enkel bestaat uit ‘eigen’ gewassen. Khoury heeft gekeken naar verschillende gewassen die centraal staan in nationale voedingspatronen (koolhydraten, vetten, eiwitten, en massa) en naar de nationale landbouw (productie, kwaliteit, oogstgebieden en productie kwantiteit). Alle gewassen konden worden herleid naar 23 zogenaamde primaire diversiteitregio’s. Dit zijn geografische zones waar duizenden jaren geleden een verscheidenheid aan eetbare planten gedomesticeerd werd: wilde planten werden door boeren geschikt gemaakt voor gebruik in de lokale landbouw.

In het PhD-onderzoek dat Khoury bij Wageningen UR, onder begeleiding van Paul Struik, uitvoerde toonde hij al aan dat de voedingspatronen wereldwijd steeds meer variatie krijgen. Paul Struik: ‘Door de globalisering wordt het voedingspatroon per land steeds meer divers, maar hierdoor worden tegelijk de verschillen tússen landen steeds kleiner’.

In zijn vervolgonderzoek heeft Khoury nu in kaart gebracht hoe de wereld steeds meer vervlochten raakt door voedsel. ‘Het is fascinerend hoeveel gewassen kenmerkend zijn voor traditionele voedingspatronen terwijl zij vele duizenden kilometers verder voor het eerst verschenen’, aldus Khoury. ‘Nu weten we pas echt hoe zeer nationale voedingspatronen en boeren afhankelijk zijn van gewassen uit andere delen van de wereld.’

We worden hierdoor ook steeds meer afhankelijk van andere landen. Wanneer bijvoorbeeld een Nederlandse plantenveredelaar een aardappel wil ontwikkelen, die resistent is tegen een nieuwe ziekte of plaag in Europa, zal hij op zoek moeten naar aardappeltypes uit een gebied met een grote diversiteit aan aardappels. Logischerwijs is dit het gebied waar de aardappel het langst aanwezig is. Waar hij al honderden/duizenden jaren in de natuur en op de akkers groeit en is blootgesteld aan vele verschillende ziektes en plagen. Voor de aardappel is dat Zuid- en Midden-Amerika.

Genenbanken zorgen dat die oude diversiteit goed verzameld, opgeslagen en beschikbaar wordt gemaakt. Echter, de wilde varianten ontbreken vaak. Het conserveren van traditionele gewassen en hun wilde varianten is een verantwoordelijkheid van ons allemaal. We worden voor ons eigen voedingspatroon immers steeds meer afhankelijk van elkaars oorspronkelijke gewassen.

‘We moeten handelen in de geest van die wederzijdse afhankelijkheid, teneinde de genetische diversiteit te behouden en benutten’, aldus Paul Struik. ‘We moeten er samen voor zorgen dat de originele varianten van onze gewassen worden beschermd en beheerd. Dit is belangrijk omdat er steeds meer bedreigingen ontstaan voor onze gewassen door onder andere klimaatverandering, en, daarmee samenhangend, nieuwe ziekten en plagen.’

Theo van Hintum, hoofd Plant Genetic Resources van het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) legt uit dat wilde planten bijna niet voorkomen in de genenbank. ‘Eén van de redenen is dat wilde planten lastig te vermeerderen zijn. De zaden kunnen wel worden gedroogd en ingevroren, maar eerst moeten we weten welke soorten van belang zijn voor de veredeling, en dus gebruikt zullen worden. Het is onmogelijk om heel de natuur in de genenbank te stoppen, en waarom zouden we?’
Van Hintum geeft aan dat het wel heel nuttig is om deze wilde verwante soorten en oude rassen toegankelijk te maken door ze te documenteren en dat ze, als ze niet in de genenbank zijn opgenomen, in de gaten moeten worden gehouden zodat ze niet uitsterven. Worden wilde soorten bedreigd en zijn ze van waarde voor veredeling, dan kunnen ze alsnog worden opgenomen in de genenbank.