Hoe ziekteverwekkers ons te vlug af kunnen zijn

Persbericht

Hoe ziekteverwekkers ons te vlug af kunnen zijn

Gepubliceerd op
10 mei 2017

Dierziektes zijn bijna onuitroeibaar. Steeds weten de ziektekiemen het immuunsysteem van de dieren te omzeilen of ze houden zich schuil in de omgeving of de stal. In zijn inaugurele rede op 11 mei aan Wageningen University & Research gaat buitengewoon hoogleraar prof. Ynte Schukken in op de manier waarop we ziekteverwekkende bacteriën en virussen vóór kunnen zijn. Zijn leerstoel wordt gefinancierd door de Gezondheidsdienst voor Dieren in Deventer.

Dynamische ziektekiemen zoals Salmonella of paratuberculose bij schapen, geiten en runderen, springen van moeder op dochter zonder dat veehouders of dierenartsen in staat zijn deze uit te schakelen, of zelfs maar te diagnosticeren.  De bacteriën bewandelen slimme wegen die ons nog onvoldoende bekend zijn en waar we geen greep op hebben. “We weten niet precies hoe deze besmettingen verlopen; de ziekteverwekkers hebben allerlei trucjes om onze controlesystemen te omzeilen,” zegt prof. Schukken.

“Voorop gesteld: De diergezondheid in Nederland behoort tot de top van de wereld. Dat wordt nog wel eens vergeten. De transparantie van veehouderijen met betrekking tot hun diergezondheid is in de wereld onovertroffen. Deze leidende positie is te danken aan de goede samenwerking van overheid, bedrijfsleven en onderzoekorganisaties die daardoor de gezondheidssituatie voor de dieren optimaliseren, het inkomen van de veehouders op peil houden en de consument en maatschappij van veilig voedsel van hoge kwaliteit voorzien”, zegt prof. Schukken.

Maar toch duiken soms oude, maar ook nieuwe dierziekten op die soms zelfs voor mensen gevaarlijk zijn, zegt prof. Schukken in zijn inaugurele rede Farm Animal Health: Progress, Problems and Perspectives. De vogelgriep (2003) en varkenspest (1997/1998)bijvoorbeeld, die elke keer leidden tot een aantal hygiënische maatregelen zoals isolatie van zieke dieren en controleprogramma’s om de verbreiding in ruimte en tijd een halt toe te roepen. “Van die uitbraken leren we dus heel veel en treffen we bij een volgende uitbraak betere en snellere maatregelen. Maar toch zijn niet alle programma’s volledig succesvol, zoals die voor Salmonella. Zo neemt het aantal geitenkuddes met Caprine Arthritis Encephalitis (CAE) toe. Ook lijkt een complete eliminatie van Salmonella, die in ongeveer tien procent van de melkkoppels blijft voorkomen, op dit moment niet realistisch. Deze kiemen worden daarmee wel beheerst, maar niet volledig uitgeroeid”.

Mathematische modellen

Door mathematische modellen op te zetten en die te voeden met data uit de praktijk, zoals meldingen door veehouders, krijgt prof. Schukken en zijn team inzicht in besmettingen en latente aanwezigheid van ziekteverwekkers. Zo blijkt dat dieren in grote of kleine houderijsystemen even gevoelig zijn, maar ook dat de veehouder van grote groepen dieren zich meer en langer moet inspannen om dezelfde diergezondheidsstatus te houden als bij kleinere groepen.

Een ander lopend onderzoek is de inzet van het genoom van de pathogenen om de specifieke route van infecties in een kudde te volgen. Hoe verandert dat genoom binnen één dier en hoe gedurende een uitbraak in een kudde? “Door alle pathogenen volledig te sequensen  hopen we de wegen en snelheid van verspreiding van een bacterie of virus te traceren. Die informatie geeft ons aangrijpingspunten om de verspreiding te dwarsbomen,” aldus prof. Schukken.

Rinderpest

Om de eerste stappen van diergezondheid in Nederland te vinden, moeten we terug naar de 18e eeuw toen verschillende uitbraken van ‘rinderpest’ (1713, 1744 en 1768)  tot een geschatte diersterfte tot 90 procent leidden, met name in veedichte gebieden in Friesland.  De experimenten van Geert Reinders (1737-1815) die runderen met een actief virus infecteerde, toonden aan dat dieren immuniteit via het moederdier kunnen krijgen. Mogelijk raakte Edward Jenner hierdoor geïnspireerd toen hij het koepokkenvirus toepaste om mensen tegen pokken te beschermen. Later leidden de provinciale diergezondheidsdiensten (de eerste en succesvolste in Friesland in 1919) tot de uitroeiing van ziektes als rundertuberculose, mond-en-klauwzeer en besmettelijke abortus.