Inkomen gemiddelde glasgroenteteler historisch hoog

Persbericht

Inkomen gemiddelde glasgroenteteler historisch hoog

Gepubliceerd op
16 december 2015

Door grote verschillen in prijsontwikkeling van producten lopen de inkomens tussen de land –en tuinbouwsectoren enorm uiteen. Zo is het gemiddelde inkomen per onbetaalde arbeidsjaareenheid (oaje) voor zeugenbedrijven -75.000 euro en voor een gemiddeld glasgroentebedrijf +274.000 euro. De glasgroentetelers kennen de sterkste inkomensstijging en komen daarmee op een historisch hoog niveau. Ook leghennenbedrijven en akkerbouwers zien een gunstige inkomensontwikkeling. De varkenshouders en in iets mindere mate de melkveehouders kijken terug op een economisch teleurstellend verlopen jaar. Dit blijkt uit de jaarlijkse inkomensraming van LEI Wageningen UR, mede op basis van CBS-cijfers, vandaag gepubliceerd op agrimatie.nl.

De inkomens zijn sterk afhankelijk van prijsvorming van producten. Opbrengstprijzen schommelen meer dan in het verleden en dat werkt vooral bij grotere bedrijven aanzienlijk door op het inkomen. Naast marktstrategie en opbrengstprijzen bepalen ook de bedrijfsomstandigheden, vakmanschap, managementkwaliteiten en verschil in bedrijfsstrategie het inkomen.

Gemiddeld inkomen glasgroentetelers 274.000 euro

Productieproblemen in andere landen en de daaruit voortkomende uitzonderlijke marktomstandigheden hebben er voor gezorgd dat de opbrengstprijzen van glasgroenten in 2015 sterk zijn gestegen. In combinatie met lagere kosten voor energie stijgt het gemiddelde inkomen tot een voor de sector ongekend niveau. De sierteeltsector (snijbloemen en pot- en perkplanten) vertoont een wisselend inkomensbeeld. Snijbloemenbedrijven zien het inkomen licht dalen, maar het blijft op een voor de sector goed inkomensniveau. Pot- en perkplantentelers ontvingen gemiddeld betere prijzen voor hun producten en in combinatie met een toename van de bedrijfsomvang stijgt het inkomen met 25.000 euro. Ook binnen deze sector zijn de verschillen groot waarbij het belangrijkste product Phalaenopsis juist tegenvallende prijzen kende.

Inkomen melkveebedrijven halveert

Bij de melkveebedrijven is het inkomen gehalveerd. Dit wordt voornamelijk veroorzaakt door de lagere melkprijs (-17%). De gemiddelde opbrengsten per bedrijf dalen minder sterk (-8%) door een grotere melkproductie per bedrijf na afschaffing van de melkquotering. De prijs van geitenmelk ligt wel op een hoger niveau dan vorig jaar en verdere schaalvergroting zorgt dit jaar opnieuw voor een inkomensstijging op de geitenbedrijven.

Inkomen varkenshouders duikt in de rode cijfers

Het inkomen van varkenshouders daalt opnieuw fors en belandt in de rode cijfers. Tussen de typen varkensbedrijven bestaan grote inkomensverschillen. Een zeer sterke daling van de biggenprijs dit jaar doet het inkomen op de zeugenbedrijven op een historisch dieptepunt belanden. Ook vleesvarkenshouders kampen met lagere varkensprijzen. Door een daling van de biggenprijzen en lagere voerkosten realiseren deze bedrijven echter een minder sterke daling en blijft het inkomen nog net boven nul. Bijna 80% van de varkensbedrijven kampt dit jaar in meer of mindere mate met liquiditeitsproblemen.

Flinke inkomensstijging leghennenhouders door hogere eierprijzen

In 2015 toont het inkomen van leghennenhouders een sterk herstel, na twee minder goede jaren. De afzetmarkt voor scharreleieren is verbeterd. Ook zorgt de grotere vraag naar eiproducten vanuit de Verenigde Staten door uitbraak van de vogelgriep voor hogere prijzen. Het inkomen van het gemiddelde vleeskuikenbedrijf daalt door hogere kosten van vooral huisvesting en afzet van pluimveemest. Het geraamde inkomensniveau ligt nog wel ruim boven het langjarig gemiddelde.

Stijging inkomen akkerbouwers door hogere opbrengstprijs aardappelen en uien

Het inkomen op de akkerbouwbedrijven stijgt in 2015 door hogere opbrengstprijzen van meerdere gewassen. Met name de prijzen van consumptieaardappelen en uien zijn beduidend hoger dan in het vorige seizoen. Samen met de goede exportmogelijkheden zorgt dit voor optimisme in de akkerbouw. De export van consumptieaardappelen vindt vooral plaats naar de ons omliggende landen. Uien gaan de hele wereld over. Zetmeelaardappelbedrijven zien het inkomen wel dalen, vooral door lagere opbrengsten van hun tweede gewas suikerbieten, maar ook door de wijziging in de bedrijfstoeslagen.

Hoge opbrengst tulp zorgt voor record inkomen

In de opengrondstuinbouw boeken zowel bloembollen- als vollegrondsgroentetelers het hoogste inkomensniveau van deze eeuw. Dit komt door hogere opbrengsten van tulpen en gestegen groenteprijzen door tekorten als gevolg van droogte elders in Europa. Het inkomen van fruittelers herstelt zich door betere prijzen voor appels en peren in oogstjaar 2015. Boomkwekerijbedrijven zien hun inkomen dalen als gevolg van verdere daling van de export naar met name Duitsland en de daarmee gepaard gaande gematigde prijsvorming.

Tabel Gemiddeld inkomen uit bedrijf (x 1.000 euro) en rentabiliteit agrarische bedrijven, 2014-2015

Tabel-Gemiddeld-inkomen-uit-bedrijf-(x-1.000-euro)-en-rentabiliteit-agrarische-bedrijven,-2014-2015.jpg

Inkomensspreiding totaal land- en tuinbouw 2006-2015 (raming) – Inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje

Inkomensspreiding totaal land- en tuinbouw 2006-2015 (ramin) inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje.png

Noot bij figuur: Er zijn grote verschillen in inkomen tussen bedrijven. De lijn geeft het gemiddelde inkomen weer en het vlak de spreiding van het inkomen. Per jaar geldt dat 60% van de bedrijven een inkomen haalt dat in het gekleurde vlak ligt. 20% van de bedrijven scoort lager dan de ondergrens van dat vlak (2015 (r): lager dan € -15.000) en een even grote groep scoort hoger dan de bovengrens van het vlak (2014 (r): hoger dan € 65.000)

Noot aan de redactie

Er zijn vandaag twee berichten gepubliceerd over inkomenscijfers land- en tuinbouw waar het LEI bij betrokken is. Op micro-economisch niveau van het LEI en op macro-economisch niveau van het CBS. Bij het berekenen van deze methoden worden andere definities gebruikt om – in het geval van de CBS-cijfers – aan te sluiten op de definities gebruikt door Eurostat.

De verschillen zitten onder andere in de volgende factoren:

  • LEI: opbrengsten en kosten toerekening aan jaren waar het betrekking op heeft (bv superheffing in 2015 wordt verdeeld over productiejaren 2014 en 2015; waardering bewaarproducten tegen ‘oogstjaarprijzen’)
  • CBS: opbrengsten en kosten op kasbasis (bv superheffing in 2015 wordt volledig meegenomen in 2015; waardering bewaarproducten tegen ‘kalenderjaarprijzen’)
  • LEI: inkomen per arbeidskracht is vergoeding voor de inzet van eigen arbeid en kapitaal, uitgedrukt in de hoeveel eigen arbeidsinzet (oaje)
  • CBS: inkomen per arbeidskracht is vergoeding voor de inzet van alle arbeid en alle kapitaal van zowel ondernemers als andere geldverstrekkers (verpachters en banken), uitgedrukt in de totale arbeidsinzet.
  • LEI: Landbouwbedrijven groter dan 25.000 euro Standaard Opbrengst(SO) (ongeveer 48.000 bedrijven)
  • CBS: alle landbouwbedrijven, inclusief de kleinere, aangevuld met loonwerkers en dienstverleners (ongeveer 70.000 bedrijven)


Voor meer informatie kunt u contact opnemen met Yvonne Fernhout, persvoorlichter LEI, via 06 53 58 71 90 of yvonne.fernhout@wur.nl. Aanvullende informatie is ook te vinden op agrimatie.nl