Inkomen per arbeidsjaar in totale land- en tuinbouw stijgt met bijna 8%; inkomens varkenssector op historisch hoog niveau

Persbericht

Inkomen per arbeidsjaar in totale land- en tuinbouw stijgt met bijna 8%; inkomens varkenssector op historisch hoog niveau

Gepubliceerd op
19 december 2016

Het factorinkomen* van de totale land- en tuinbouw voor 2016 is geraamd op bijna 7,3 miljard euro. Per arbeidsjaar stijgen de inkomens in 2016 met 7,6% ten opzichte van vorig jaar. Deze stijging komt voornamelijk door vrijwel gelijk gebleven opbrengsten en een daling van de kosten. Aan de kostenkant zijn met name kunstmest en energie in prijs gedaald. In de sierteelt (bloemen en planten) en varkenshouderij waren er dit jaar hogere opbrengstprijzen. Met uitzondering van aardappelen, laten de meeste akkerbouwproducten juist lagere opbrengstprijzen zien en ook melk, pluimvee en eieren kennen een lagere prijs dit jaar. De totale productiewaarde van de sector is al met al gelijk aan het niveau van 2015.

Na een dieptepunt in 2015, is het gemiddeld inkomen van varkensbedrijven door hogere opbrengstprijzen en lagere voerprijzen met 128.000 euro gestegen naar een historisch hoog niveau. In de melkveehouderij staan de inkomens onder druk. Bedrijfstypen met plantaardige producten zoals glastuinbouwbedrijven kennen in 2016 goede resultaten. Met name voor de bloemen- en plantensector is er een sterk herstel van het inkomen. Dit komt vooral door het wereldwijd aantrekken van de consumptieve bestedingen.

Binnen de land- en tuinbouw zijn er ieder jaar grote inkomensverschillen rondom het gemiddelde, zowel tussen als binnen de verschillende bedrijfstypen.

Varkenshouderij historisch hoog inkomen

Het aantal varkensbedrijven is in de afgelopen jaren flink gedaald bij eenzelfde totaal aantal dieren. Dankzij fors hogere prijzen van biggen (+32%) en vleesvarkens (+8%) en daardoor hogere aanwas zijn de inkomens voor de gemiddelde ondernemer met 128.000 euro gestegen tot 107.000 euro per onbetaalde arbeidsjaareenheid (aje)**. Dit is het hoogste niveau in de afgelopen decennia. De prijsstijgingen zijn vooral het gevolg van een sterk gestegen vraag naar varkensvlees vanuit onder andere China. Binnen de varkenshouderij profiteren de zeugenbedrijven het meest van de gestegen opbrengstprijzen. Het inkomen ligt voor alle verschillende typen varkensbedrijven ver boven het meerjarig gemiddelde van 2001-2015. Varkenshouders hebben de huidige prijspiek hard nodig om de opgelopen betalingsachterstanden over de afgelopen twee jaar in te lopen.

Melkveehouderij in mineur

De Nederlandse melkaanvoer is na afschaffing van de melkquotering per 1 april 2015 fors gestegen. Voor 2016 wordt een 7,5% hogere melkaanvoer geraamd. De melkprijs (-9%) staat door het grotere aanbod en geringere vraag onder druk. Door deze ontwikkelingen van schaalvergroting en prijsdaling blijven de gemiddelde opbrengsten per bedrijf per saldo gelijk. Door de schaalvergroting zijn de kosten per saldo met 3% gestegen. Het inkomen uit bedrijf daalt met 7.000 euro daalt tot een niveau van 16.000 euro per onbetaalde aje. Over de periode 2011-2015 lag het gemiddelde inkomen met 33.000 euro een stuk hoger. Voor de biologische melkveehouders daalt het inkomen uit bedrijf per onbetaalde aje met 3.500 euro door hogere voerkosten. Deze inkomensdaling is minder sterk dan in de gangbare melkveehouderij, doordat de prijs voor biologische melk (-1%) minder daalde dan van gangbare melk. Door de lagere melkprijs kampt ongeveer een op de vijf melkveebedrijven dit jaar in meer of mindere mate met liquiditeitsproblemen.

Inkomens pluimveebedrijven onder druk

Leghennenbedrijven zien in 2016 hun inkomen halveren door lagere eierprijzen (-5%) tot 37.000 euro per onbetaalde aje. Door een toename van het aanbod van eieren in de EU en het wegvallen van de incidentele vraag vorig jaar vanuit de Verenigde Staten, zijn de eierprijzen in 2016 gedaald. Het inkomen van het gemiddelde vleeskuikenbedrijf daalt in 2016 met 15.000 euro per onbetaalde aje doordat de opbrengsten sterker dalen dan de kosten. Door een toegenomen productie van pluimveevlees in de EU, vooral uit Oost-Europa, staan de prijzen onder druk. De kosten zijn vooral gedaald door goedkoper voer. Ondanks de daling ligt voor de vleeskuikenbedrijven het inkomen boven het meerjarig gemiddelde van 2001-2015. Het aantal dieren van een gemiddeld vleeskuikenbedrijf daalt doordat meer bedrijven overstappen naar conceptkuikens zoals de Kip van Morgen, die langzamer groeien en over meer ruimte beschikken.

Stijging inkomens glastuinbouw dankzij de sierteelt

Het gemiddeld inkomen in de glastuinbouw is met 30.000 euro meer dan in 2015 gestegen tot 230.000 euro per onbetaalde aje. Dit is voor de sector een bijzonder hoog niveau. Tussen en per bedrijfstype zijn er grote inkomensverschillen. De sierteeltsector (snijbloemen en pot- en perkplanten) kent een goed jaar met stijgende inkomsten door toegenomen consumptieve bestedingen en aantrekkende export bij dalende energiekosten. De sector lijkt steeds beter in te spelen op de wensen van de consument. De glasgroentebedrijven zien het inkomen uit bedrijf licht dalen door lagere opbrengsten, ondanks lagere energiekosten. De opbrengstprijzen van komkommer bleven op hetzelfde hoge niveau als in 2015, terwijl bij tomaat en paprika de opbrengstprijzen wat lager waren. Desondanks blijft het inkomen voor de glasgroentetelers, na de verdubbeling in 2015 door uitzonderlijke marktomstandigheden, op een voor de sector hoog niveau.

Daling inkomen akkerbouwers, ondanks hogere opbrengstprijs aardappelen

Het inkomen op de akkerbouwbedrijven (inclusief zetmeelbedrijven) daalt licht door gemiddeld lagere opbrengstprijzen van een aantal belangrijke gewassen waaronder suikerbieten. De prijzen voor aardappelen worden wel hoger geraamd. De vraag naar consumptieaardappelen is groot, met name voor de frietverwerking. Gemiddeld wordt voor het oogstjaar 2016 een inkomen geraamd op iets minder dan 60.000 euro per onbetaalde aje; 10.000 euro lager dan in 2015. Voor 2017 is belangrijk wat het effect van de afschaffing van de suikerquota zal zijn. Er wordt verwacht dat diverse EU-landen dan meer suiker produceren waardoor de suiker- en suikerbietenprijs gaan dalen.

Inkomensherstel boomkwekerijbedrijven

In de opengrondstuinbouw boeken de boomkwekers en fruittelers een hoger inkomen door hogere opbrengstprijzen. In de boomkwekerij zien ondernemers door een betere afzet in belangrijke exportlanden Duitsland en Verenigd Koninkrijk de prijzen herstellen. Fruittelers profiteren van een lagere productie van appels en peren in andere EU-landen. Het geraamde inkomensniveau voor fruittelers blijft matig, ook in vergelijking met de andere opengrondstuinbouwsectoren. Voor bloembollentelers wordt voor 2016 een licht lager inkomen geraamd door een lager productieniveau bij min of meer gelijkblijvende opbrengstprijzen. Het inkomen voor de bloembollenbedrijven blijft op een hoog niveau. De opbrengsten en het inkomen voor vollegrondsgroentetelers dalen als gevolg van waterschade door overvloedige regenval medio juni. Net als in 2014 en 2015 ligt het geraamde niveau voor 2016, van ongeveer 50.000 euro per onbetaalde aje, ruim boven het langjarige gemiddelde over de periode 2001-2015.

* Factorinkomen meet de beloning van alle productiefactoren (grond, kapitaal en arbeid). Het inkomensbegrip in de landbouwrekeningen van het CBS wijkt iets af van het begrip in de agrarische sectorraming van Wageningen Economic Research die vandaag op www.agrimatie.nl is gepubliceerd.

** In de inkomensontwikkeling van varkensbedrijven is ook een post aanwas opgenomen. Dat is de waardeverandering van de dieren tussen begin- en eindbalans. De waardering is tegen marktprijs en die prijs ligt eind 2016 fors hoger dan die in januari. De dieren worden pas in het eerste kwartaal van 2017 verkocht en de werkelijke ontvangsten kunnen dan afwijken van de prijs op balansdatum.