Kansrijke biobased alternatieven voor polair aprotische oplosmiddelen

Persbericht

Kansrijke biobased alternatieven voor polair aprotische oplosmiddelen

Gepubliceerd op
6 december 2017

Er zijn kansrijke biobased alternatieven voor de omstreden polair aprotische oplosmiddelen NMP, DMAc en DMF. Dat blijkt uit een rapport van Wageningen Food & Biobased Research in opdracht van het RIVM. Wageningen Food & Biobased Research maakte een brede scan van nieuwe, marktrijpe biobased chemicals. Daarbij is specifiek ingezoomd op vervangers voor de polair aprotische oplosmiddelen NMP, DMAc en DMF; zeer zorgwekkende stoffen waarvan het gebruik in de toekomst mogelijk wettelijk beperkt wordt in de gehele EU.

In het EU-BBI-project RESOLVE ontwikkelt Wageningen Food & Biobased Research op dit moment al veilige alternatieven voor de op grote schaal gebruikte zorgwekkende stoffen tolueen en NMP. RESOLVE richt zich op het ontwikkelen van alternatieven met een totaal andere chemische structuur, zodat de chemische groepen die tolueen en NMP toxisch maken worden vermeden. Bovendien zijn de alternatieven duurzaam, omdat ze worden gemaakt uit koolhydraatrijke reststromen zoals suikerbietenpulp.

Belangrijke oplossing voor toxische stoffen

In de studie is specifiek gekeken naar vervangers voor polair aprotische oplosmiddelen (PAO). DMAc, dat vorig jaar nog zeer negatief in het nieuws kwam vanwege het vermeend veroorzaken van fertiliteitsproblemen bij vrouwelijke medewerkers van een chemiefabriek, is zo’n oplosmiddel.

Daan van Es, senior onderzoeker bij Wageningen Food & Biobased Research, voerde de studie uit: ‘Biobased chemicals staan sterk in de belangstelling. De ontwikkeling van nieuwe stoffen met unieke chemische structuren en eigenschappen kan een belangrijke oplossing bieden voor vervanging van omstreden PAO, zoals DMAc en NMP. Het is dan wel belangrijk om inzicht te hebben in zaken als technische haalbaarheid, beschikbaarheid van grondstoffen en of er al commerciële productie mogelijk is. Dit hebben we in deze studie overzichtelijk gepresenteerd.’

Van Es geeft aan dat verder onderzoek nodig is, om uitspraak te kunnen doen over effectiviteit, duurzaamheid en toxiciteit van de beoogde vervangers. ‘We hebben een groot aantal potentiële vervangers geïdentificeerd, maar deze zijn nog niet in productie als vervanger voor de beoogde PAO.’ Om echt iets te kunnen zeggen over duurzaamheid en toxicologische eigenschappen, is verder onderzoek nodig in samenwerking met de industrie. Zo bekijkt het RIVM in een vervolgstudie welke eventuele toxiciteitsgegevens al beschikbaar zijn voor deze biobased alternatieven.

Testen met industriële partners

Een vervolgprogramma, waarin meerdere potentiële vervangers gemaakt en getest worden, zou daarom een belangrijk vervolg zijn. Van Es: ‘Het liefst zouden we met verschillende industriële partners – denk aan producenten van verven en industriële schoonmaakmiddelen maar ook producenten van biobased stoffen zelf – de beoogde vervangers voor toxische stoffen in hun oplosmiddelen willen onderzoeken.’

De overheid kan stimuleren en faciliteren dat deze werelden bij elkaar komen in een breed onderzoeksprogramma. ‘Voor de stoffen tolueen en NMP geven we hier al een aanzet toe in het project RESOLVE. Je ziet dat je dan pas concreet duidelijk kunt maken wat de potentie is van biobased vervangers, en –met industriële partners- ook echt kunt gaan nadenken over commerciële productie,’ aldus van Es.

Rapport en contact

Wilt u het brede overzicht van nieuwe, biobased chemicaliën en de potentie voor vervanging van PAO ontvangen? Download dan het rapport over biobased alternatieven voor oplosmiddelen. Bent u geïnteresseerd in een potentieel vervolgprogramma, neem dan contact op met Daan van Es.