Verbinden natuurgebieden niet altijd goed voor biodiversiteit

Nieuws

Kanttekeningen bij het nut van het verbinden van natuurgebieden

Gepubliceerd op
7 september 2015

Onderzoek naar de levensvatbaarheid van diersoorten in versnipperde gebieden is tot op heden vooral gedaan aan de hand van modellen met één soort. Uit dat onderzoek blijkt dat het belangrijk is dat kleinere natuurgebieden met elkaar verbonden zijn. In het veld vindt echter interactie plaats tussen soorten. Nieuw onderzoek, waarbij concurrentie tussen soorten is meegenomen, levert onverwachte resultaten op. Verbinden is niet per definitie goed, concludeert Alterra Wageningen UR.

De levensvatbaarheid van soorten neemt toe als versnippering van leefgebieden wordt tegengegaan door leefgebieden met elkaar te verbinden. Dat is een grondregel in de landschapsecologie. Daarom is de Ecologische Hoofdstructuur opgezet, daarom zijn op diverse plekken mitigerende maatregelen genomen en ecoducten gebouwd. Alterra-onderzoeker Peter Schippers en collega’s hebben echter nieuwe modelberekeningen gedaan, zojuist gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift PLOS ONE, waarin ze de stelling ‘verbinden is altijd goed’ van kanttekeningen voorzien. Een opvallende conclusie, die niet toevallig voortkomt uit het programma voor ‘tegendraads onderzoek’.

Nieuw ruimtelijk metapopulatiemodel

“Metapopulatiemodellen die rekenen met slechts één soort zijn niet realistisch,” zegt Peter Schippers. “De interactie tussen soorten ontbreekt daarin, terwijl concurrentie, bijvoorbeeld  om voedsel, wel degelijk een belangrijke rol speelt bij de overlevingskans van soorten.” Schippers heeft met collega’s daarom een ruimtelijk metapopulatiemodel ontwikkeld waarin ze de overlevingskansen c.q. de kans op uitsterven van 21 concurrerende vogelsoorten in landschappen met verschillende mate van versnippering hebben berekend. 

Concurrentie met andere soorten

Peter Schippers: “Hieruit bleek dat de biodiversiteit, de soortenrijkdom van de concurrerende soorten langzaam vermindert in versnipperde landschappen. Maar in goed verbonden landschappen daarentegen bleken soorten veel sneller uit te sterven omdat ze de concurrentieslag met andere soorten verloren. Juist door de goede bereikbaarheid koloniseerden soorten met een (toevallige) hogere dichtheid het hele potentiële leefgebied zodanig snel dat zij andere soorten, met een lagere dichtheid, overvleugelden. Die in verdrukking geraakte soorten konden nieuwe leefgebieden moeilijk (her)koloniseren vanwege de daar aanwezige concurrentie.”

Versnippering landschap heeft ook voordelen

De resultaten suggereren dat versnippering van het landschap ook voordelen heeft voor de overlevingskansen van soorten. Peter Schippers: “We zijn met ons onderzoek niet over één nacht ijs gegaan, we hebben verschillende concurrentie-omstandigheden bekeken, we hebben duizenden simulaties gedaan waarbij we steeds de soorteigenschappen en de landschapskenmerken veranderd hebben, maar in alle gevallen vonden we dat de soorten veel sneller uitstierven in goed verbonden landschappen. Dit geeft aan dat als concurrentie tussen soorten een belangrijke rol speelt, verbinden niet altijd goed hoeft te zijn. Je ziet het ook in het veld. Zeker wanneer soorten van elders hier voet aan de grond krijgen. Kijk maar naar de gewone eekhoorn in Engeland: deze wordt overal verdrongen door de grijze eekhoorn. In Nederland is dat gebeurd met de Europese rivierkreeft. En de Noordse woelmuis kan alleen voortbestaan in geïsoleerde gebieden, zonder concurrenten. Dan mag je dus zeggen dat isolatie helpt. Als het om inheemse soorten gaat moet er wel verbonden worden. Maar ik denk dat ons verhaal een kanttekening zet bij het idee dat verbinden altijd goed is. Er is meer onderzoek nodig om het volledige verhaal te ontrafelen, om uit te maken waar en wanneer en voor welke soorten verbinden goed is.”

Lees het volledige onderzoek "Rapid Diversity Loss of Competing Animal Species in Well-Connected Landscapes" bij PLOS ONE.