Klimaatverandering verergert toestand Urmiameer

Nieuws

Klimaatverandering verergert toestand Urmiameer

Gepubliceerd op
18 april 2016

Klimaatverandering gaat de situatie van het door droogte getroffen zoute Urmiameer in Iran verder verslechteren. Zelfs in het meest optimistische klimaatscenario en zonder verdere menselijke invloed. Dat tonen onderzoekers van Wageningen University aan in een publicatie in het Science of The Total Environment journal van 15 april.

Het Urmiameer was altijd het een na grootste zoutmeer ter wereld. Het meer in noordwest Iran vlakbij de Turkse grens, is een belangrijk en internationaal erkend natuurgebied; het is aangewezen als Ramsargebied en UNESCO biosfeerreservaat. Er kwamen onder meer unieke pekelkreeftjes voor. Het waterbekken is belangrijk voor landbouw en veeteelt.

Milieuramp

Het meeroppervlak is met 80 procent teruggelopen naar het laagste niveau in twintig jaar. Het zoutgehalte is daardoor sterk gestegen. Dit verstoort ecosystemen, landbouw, de bestaanszekerheid en gezondheid van mensen, en toerisme. De sociale en milieueffecten zijn vergelijkbaar of zelfs groter dan de milieuramp door de uitdroging van het Aralmeer. Duizenden mensen rond het meer hebben het gebied al verlaten. Naar schatting lopen mensen binnen een gebied van 500 vierkante kilometer gevaar, wat de economische, politieke en etnische spanningen in dit al onbestendige gebied verder kan vergroten. 

Het Urmiameer droogt uit door een combinatie van factoren. De afgelopen decennia is het landbouwareaal rond het meer verdrievoudigd. Dit resulteerde in een grote vraag naar irrigatiewater, veranderende stromingen en grondwaterwinning. Efficiënt watermanagement bleef daarbij achter. In dezelfde periode nam de verdamping sterk toe en liet de gemiddelde maximumtemperatuur een stijgende trend zien. 

Herstelplan

Om het meer te redden is een nieuwe watermanagementplan opgesteld, dat voorziet in op korte termijn 40 procent minder irrigatiewatergebruik. Het vervangt het vorige plan dat als inzet had de ontwikkeling van reservoirs en irrigatie. Geen van de watermanagementplannen, die grote sociaaleconomische gevolgen hebben, heeft echter de toekomstige veranderingen in klimaat en beschikbaarheid van water meegenomen in de beoordelingen, zegt Somayed Shadkam van Wageningen University. Met collega’s van de Water Systems and Global Change Group en het International Institute of Applied Systems Analysis (IIASA), onderzocht Shadkam als onderdeel van haar promotieonderzoek de impact van de plannen op de toevoer van water in het Urmiameer in de 21 eeuw.

Om te beginnen werd de hoeveelheid water gekwantificeerd die nodig is voor het behoud van het Urmiameer. Ook werd de toekomstige instroom geraamd. Hiervoor werden in een hydrologisch model uitkomsten van klimaatmodellen doorgerekend, met verschillende managementplannen en een natuurlijke situatie zonder irrigatie en reservoirs. De uitkomsten werden vergeleken met de geschatte vereiste watertoevoer.

Waterschaarste

De resultaten laten zien dat het voorgenomen irrigatieplan alleen kan bijdragen aan behoud van het meer als de klimaatverandering minimaal is. “Dit betekent dat om het meer te redden actie moet worden ondernomen op zowel regionale als wereldschaal. Regionale actie door het beperken van gebruik van water, op wereldschaal door het terugdringen van de broeikasgassen.” De uitkomsten maken ook duidelijk dat onafhankelijk van welk klimaatscenario werkelijkheid wordt, het gebied minder water tot haar beschikking krijgt. “Dat is een belangrijke boodschap voor zowel het Urmiameer als de bredere regio. De waterschaarste in dit gebied groeit en dat vraagt om adaptatie”, zegt Shadkam.

Kortgeleden presenteerde Shadkam de onderzoeksuitkomsten aan het comité dat zich bezighoudt met de redding van het Urmiameer. Het comité nodigde het Wageningse onderzoeksteam uit voor een bezoek aan Iran om haar bevindingen toe te lichten en samenwerking op dit onderwerp te bespreken.

Publicatie

Preserving the world second largest hypersaline lake under future irrigation and climate change, Science of The Total Environment, Vol. 559, 15 July 2016, p317–325. doi:10.1016/j.scitotenv.2016.03.190