Koeien en Kansen deelnemer scoren goed op duurzaamheid

Nieuws

Koeien&Kansen-bedrijven scoren goed op duurzaamheid

Gepubliceerd op
3 februari 2015

LTO en NZO hebben binnen de Duurzame Zuivelketen duurzaamheidsdoelen geformuleerd. De prestaties van de Koeien&Kansen-bedrijven in 2013 op deze doelen zijn vergeleken met het Nederlandse gemiddelde. Bij broeikasgassen, levensduur van melkkoeien, nutriënten en natuurbeheer scoort Koeien & Kansen goed, maar op weidegang en antibioticagebruik was de score in 2013 iets minder dan het Nederlands gemiddelde. Hoewel het project vooral focust op mest en milieuprestaties, scoren de bedrijven op andere duurzaamheidsdoelen ook goed.

De Duurzame Zuivelketen heeft doelen geformuleerd binnen vier hoofdthema’s. De doelen zijn geformuleerd voor (1) Klimaatneutrale ontwikkeling, (2) Continue verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid, (3) Behoud van weidegang en (4) Behoud van biodiversiteit en milieu. Voor de verschillende doelen zijn indicatoren geformuleerd om te toetsen in welke mate de doelen worden gerealiseerd. Het LEI heeft deze voor de gehele zuivelketen in 2013 in beeld gebracht in de Sectorrapportage Duurzame Zuivelketen. Het LEI heeft ook de prestaties van de Koeien & Kansen-bedrijven in 2013 voor de geformuleerde thema’s en indicatoren in kaart gebracht en een vergelijking gemaakt tussen de prestaties van de Nederlandse melkveehouderij enerzijds en de gemiddelde prestaties van de 16 Koeien & Kansen–bedrijven anderzijds. Dus zowel voor de Koeien & Kansen-bedrijven als de bedrijven in de sectorrapportage is de rekenwijze van het LEI gehanteerd, zodat ze met elkaar vergelijkbaar zijn. De rekenwijze en de gebruikte data zijn echter niet helemaal hetzelfde als die van Koeien & Kansen, waardoor de resultaten kunnen afwijken van de Koeien & Kansen rapporten.

Klimaatneutrale ontwikkeling

Bij het thema 'Klimaatneutrale ontwikkeling' zijn de broeikasgasemissies van de melkveebedrijven berekend. De totale emissie van de melkveehouderij ligt in 2013 op 1,27 kg CO2-equivalenten per kilogram melk. Het gemiddelde van de Koeien & Kansen bedrijven lag met 1,22 kg CO2-equivalenten per kilogram melk ruim 4 procent lager. Dat is ook verklaarbaar omdat het project de afgelopen jaren heeft gewerkt aan verlaging van de overige broeikasgassen, lachgas- en methaanemissie op het bedrijf zelf. Op die overige broeikasgassen laat het project zien dat zelfs ruim 30 procent meer gereduceerd is dan het Nederlandse gemiddelde.  Besparing van elektriciteit en brandstof behoorden niet tot de focus de afgelopen jaren. Het energieverbruik per kilogram melk is op de Koeien & Kansen-bedrijven dan ook niet anders dan op het gemiddelde melkveebedrijf.

Continue verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid

Bij het hoofdthema 'Continue verbetering van dierenwelzijn en diergezondheid'' is onder meer gekeken naar het antibioticagebruik en de levensduur van de koeien. De indicatoren hierbij zijn de dierdagdoseringen per dierjaar en de gemiddelde leeftijd van melkkoeien bij afvoer. In 2013 was het antibioticagebruik met 3,0 dierdagdoseringen per dier per jaar 6 procent  hoger dan het sectorgemiddelde van ruim 2,8. In 2012 was het antibioticagebruik op Koeien & Kansen-bedrijven echter nog 25 procent hoger dan het sectorgemiddelde. Een flinke daling is dus gerealiseerd, waarbij het streefgebied van minder dan 3 dierdagdoseringen gemiddeld is bereikt, zowel door de sector als door de Koeien & Kansen-bedrijven.

Figuur 1: Gemiddelde leeftijd bij afvoer K&K-bedrijven in 2013, t.o.v gemiddelde leeftijd bij afvoer volgens Informatienet (steekproef LEI in 2011, 2012 en 2013) en gemiddelde leeftijd bij afvoer van de bedrijven aangesloten bij CRV (1992 t/m 2013).

De gemiddelde leeftijd bij afvoer is als indicator geformuleerd voor de gezondheid van de veestapel. ‘Door het verbeteren van de klauw- en uiergezondheid en de vruchtbaarheid hoeven koeien minder snel afgevoerd te worden’, is de filosofie. De Koeien & Kansen-bedrijven hebben met ruim 6 jaar in 2013 een hogere gemiddelde leeftijd bij afvoer dan het sectorgemiddelde van ongeveer 5 jaar en 9 maanden (volgens zowel CRV als volgens Informatienet) en dat is een mooie prestatie (zie figuur 1). Wel moet hierbij opgemerkt worden dat de indicator levensduur van individuele en van kleine groepen bedrijven van jaar op jaar sterk kan wisselen, waardoor het beter is om naar bijvoorbeeld een rollend 3-jaarsgemiddelde te kijken.

Behoud weidegang

Bij het thema 'Behoud weidegang' liet het sectorgemiddelde in 2013 zien dat ongveer 80 procent van de bedrijven de koeien weidt, waarbij 8 procent een overige vorm van weidegang toepast (melkkoeien minder dan 120 dagen/jaar van 6 uur/dag weidegang en/of jongvee weidegang). Het aandeel weidegang op de Koeien & Kansen-bedrijven lag lager in 2013. 

Figuur 2: Aandeel weidegang op alle melkveebedrijven in 2012 en 2013 en het aandeel weidegang bij de Koeien & Kansen bedrijven in 2013.  Bron: Productschap Zuivel, Informatienet van LEI Wageningen UR

Op 75 procent van de bedrijven vond weidegang plaats, waarbij het in ongeveer 19 procent van de gevallen ging om een overige vorm van weidegang (zie ook figuur 2). Interessant is het wel dat een drietal Koeien & Kansen-veehouders die in 2013 hun koeien nog opstalden, in 2014 weer is gaan weiden. Dit is gedaan voor de benutting van herfstgras, maar ook om kosten te besparen en voor extra melkgeld.

Behoud van biodiversiteit en milieu

Een parameter om activiteiten op het gebied van milieu kwalitatief in beeld te brengen, is het aandeel melkveehouders dat gebruik maakt van nutriëntentools als BEX en KringloopWijzer. Bijna 60 procent van alle melkveehouders gebruikte BEX in 2013 en 6 procent gebruikte de KringloopWijzer. Alle Koeien & Kansen-bedrijven gebruiken deze tools. Logisch natuurlijk, omdat deze instrumenten hun oorsprong in dit project hebben.

Voor biodiversiteit ontbreekt het nog aan een goede indicator. Om toch iets te kunnen zeggen over biodiversiteit, is in beeld gebracht welke aandeel van de melkveehouders lid is van een Agrarische Natuurvereniging (ANV) en op hoeveel procent van de bedrijven een vorm van natuurbeheer plaatsvindt. Van de Koeien & Kansen-bedrijven is 44 procent  lid van een ANV, terwijl dit 36 procent sectorbreed is. Verder past 56 procent van de Koeien & Kansen een vorm van natuurbeheer toe op het bedrijf. Dit is net iets meer dan de 53 procent die geldt voor alle melkveehouders. De Koeien & Kansen-veehouders doen procentueel meer aan botanisch beheer van percelen en onderhoud van landschapselementen dan de rest van de Nederlandse melkveesector, terwijl soortenbeheer en botanisch beheer van randen in verhouding wat minder voorkomen.