Meer ruwvoer van een gezonde bodem

Nieuws

Meer ruwvoer van een gezonde bodem

Gepubliceerd op
28 september 2016

Door goed voor de bodem te zorgen en hun bouwplan slimmer in te richten, kunnen melkveehouders meer en beter ruwvoer per hectare oogsten. Een grootschalig publiek privaat onderzoeksproject (PPS) brengt hiervoor de komende jaren de benodigde kennis bijeen.

Volgens schattingen van het Ruwvoerplatform, een samenwerking tussen Wageningen University & Research en sectorpartijen, laten melkveehouders op dit moment 15 procent gras- en 10 procent maïsopbrengst liggen. Ook leidt de huidige productiewijze van ruwvoer tot een onnodig grote druk op de kwaliteit van de bodem. Hierdoor dreigen de opbrengsten verder te zakken en zijn percelen minder goed bestand tegen heftige regenval of langere droogteperiodes.

De PPS Ruwvoerproductie en Bodemmanagement, die loopt tot en met 2019, moet praktische handvatten opleveren, om de ruwvoerteelt efficiënter en duurzamer te maken. Dat gebeurt aan de hand van deelprojecten, waarin bedrijven en sectorvertegenwoordigers samenwerken met zowel dierlijke als plantaardige onderzoekers. “Dat laatste is bijzonder, zegt Wijnand Sukkel, één van de coördinatoren vanuit Wageningen University & Research. “Kennis van de veehouderij en van plant-bodeminteracties komt op deze manier bij elkaar.”

Kijken naar het bouwplan

De eerste stap in het project is het maken van een analyse van de zogeheten yield gap; het verschil tussen de actuele en de potentiële opbrengst. “We willen precies weten waarom de opbrengsten achterblijven. Vaak hebben we wel een idee. De continuteelt van maïs bijvoorbeeld is op langere termijn niet duurzaam, omdat de bodem langzaam maar zeker uitgeput raakt. Door maïs te combineren met andere teelten, via vruchtwisseling of een nateelt, haal je misschien minder maïs van een hectare, maar kan de totale ruwvoerproductie op een bedrijf omhoog”, legt Sukkel uit.

Veredelingssector

Ook de veredelingssector is nauw betrokken bij het project, omdat nieuwe werkwijzen soms om eigenschappen, en dus genetica, vragen. Zo werken kweekbedrijven aan maïsrassen die vroeger rijp zijn. Een vroeg ras geeft meer ruimte voor een volwaardige nateelt en meer kans op mooie oogstomstandigheden. Laat in de herfst neemt het risico op sporen en schade aan de bodem toe.

Ook gras krijgt aandacht van de veredelaars. Zij kijken onder meer naar de beworteling en het gebruik van klavers. Grasklavermengsels hebben een goede opbrengst en vragen minder stikstof. Een betere doorworteling van grassen geeft een betere bodemkwaliteit, een hogere weerbaarheid tegen droogte  en een hogere opslag van koolstof in de bodem. “Verder zullen we moeten herijken wat goed graslandmanagement is”, zegt Sukkel. “Veel informatie is verouderd. We hebben te maken met strengere mestnormen en andere teeltomstandigheden.” 

Kennis naar praktijk

In verschillende kleinere projecten is de afgelopen jaren al een voorschot genomen op mogelijke verbeteringen in de ruwvoerteelt. Daar haken de initiatiefnemers zo veel mogelijk bij aan. En er wordt ook nieuw onderzoek opgestart. De kennis die dit oplevert, moet onder andere via de diverse open dagen van de deelnemende (proef)bedrijven doorstromen naar de praktijk. Ook brancheorganisaties spelen hierin een rol, zoals bijvoorbeeld loonwerkersorganisatie Cumela. Loonbedrijven spelen een steeds grotere rol in de ruwvoervoorziening van melkveebedrijven en investeren in bodemvriendelijke technieken en apparatuur voor opbrengstmeting.