Melkveewet en AMvB: Mest verwerken en grond erbij voor Koeien en Kansen-bedrijven

Nieuws

Mest verwerken en grond erbij voor Koeien & Kansen-bedrijven

Gepubliceerd op
1 december 2015

De afgelopen jaren is het mestbeleid een aantal malen gewijzigd. Deze wijzigingen in de Melkveewet en AMvB hebben invloed op de bedrijfsvoering. Melkveebedrijven die een mestoverschot hebben of willen groeien moeten binnen de nieuwe regelgeving niet alleen mest afvoeren, maar ook mest laten verwerken en mogelijk extra grond verwerven. Dit blijkt uit een voorbeeldberekening op basis van resultaten van twee Koeien & Kansen-bedrijven.

In dit artikel laten we zien wat de gevolgen zijn van 10 procent groei van de veestapel in 2016 ten opzichte van 2014 voor twee Koeien & Kansen-bedrijven.

Beleidsaanpassingen op een rij

Om te voorkomen dat de melkveehouderij met grote fosfaatoverschotten te kampen krijgt, heeft de overheid de afgelopen jaren verschillende beleidswijzigingen doorgevoerd. Tabel 1 laat zien dat het beleid vanaf 2006 vooral gericht is op beperking van de toediening van meststoffen en afvoer van teveel geproduceerde mest. Vanaf 2014 komt hier de verplichting bij een deel van het fosfaatoverschot te verwerken, afhankelijk van de regio waarin het bedrijf zit. De melkveewet scherpt dit in 2015 aan door de groei vanaf 2014 volledig te laten verwerken.

Tabel 1: Veranderingen in mestbeleid sinds 2006
Tabel 1: Veranderingen in mestbeleid sinds 2006

Vanaf 2016 is volledig verwerken van groei voor intensieve bedrijven met een overschot van meer dan 20 kg P2O5/ha niet genoeg en is voor een deel van de extra geproduceerde mest extra grond nodig. Tenslotte geldt in 2016 een stelsel van fosfaatrechten, die de maximale fosfaatproductie van een melkveebedrijf begrenst. Bij een hogere fosfaatproductie zijn extra fosfaatrechten van een ander melkveebedrijf nodig.

Toelichting op definities MFR, MFO, VVO

  • Fosfaatoverschot: fosfaatproductie (via BEX of forfaitair) minus plaatsingsruimte fosfaat op grond in gebruik.
  • Melkveefosfaatreferentie (MFR): forfaitaire fosfaatproductie 2013 minus plaatsingsruimte 2013 op een melkveebedrijf. De MFR heeft iedere veehouder via een beschikking van RVO ontvangen. Als het overschot in 2013 negatief was, heeft het bedrijf een MFR van 0 kg P2O5.
  • Melkveefosfaatoverschot (MFO): fosfaatproductie van een bepaald jaar (BEX of forfaitair) minus plaatsingsruimte van het betreffende jaar minus de melkveefosfaatreferentie (MFR).
  • Mestverwerken: mest rechtstreeks naar een verwerker afvoeren of driepartijenovereenkomst tussen mestbewerker, mestverwerker en veehouder waaruit blijkt dat geleverde mest van veehouder aan de mestbewerker en daarna aan mestverwerker wordt aangeboden of het afsluiten van een Vervangende Verwerkingsovereenkomst (VVO) waarbij de veehouder de verwerkingsplicht overdraagt aan een andere landbouwer. Mestverwerkingsplicht geldt alleen als tenminste 100 kg P2O5 op bedrijfsniveau verwerkt moet worden.
  • Regio: Nederland is opgedeeld in 3 regio’s (Zuid, Oost en Overig). Voor iedere regio geldt een ander verwerkingspercentage (voor fosfaatoverschot in 2014: respectievelijk 30%, 15% en 5% voor regio Zuid, Oost en Overig). Na vaststellen van de MFR gelden de regiogebonden verwerkingspercentages alleen voor de MFR: vanaf 2015 respectievelijk 50%, 30% en 10% voor regio Zuid, Oost en Overig. Voor verwerken het melkveefosfaatoverschot (MFO) gelden andere regels (MFO 2014: helemaal verwerken, MFO na 2015: afhankelijk van overschot: deel verwerken en deel extra grond).
  • Groei: De toename van de fosfaatproductie (via BEX of forfaitair) in een bepaald jaar (x) ten opzichte van de forfaitaire productie van 2014 (berekend met aantallen dieren van 2014 maal productienormen van jaar x).
  • Fosfaatrechten: Maximale fosfaatproductie van een bedrijf waarboven groei niet meer is toegestaan, behalve na verwerven van extra rechten van een andere melkveehouder.

Verlaging forfaitaire diergebonden productienormen in 2015

In 2015 zijn de forfaitaire diergebonden productienormen voor fosfaat met ongeveer 7% verlaagd. Deze normen dienen, vermenigvuldigd met het aantal dieren in 2014,  als referentie voor de groei die vanaf 2016 plaatsvindt. Door de normen van 2014 te verlagen, is de BEX winst kleiner en zal een bedrijf meer mest moeten verwerken of meer grond moeten verwerven bij groei. Door de lagere forfaitaire fosfaatproductienormen is het voor bedrijven die in 2014 een BEX voordeel hadden van minder dan 7% niet meer aantrekkelijk om BEX te hanteren als het gaat om de berekening van de actuele fosfaatproductie. Of BEX helemaal niet meer aantrekkelijk is voor deze bedrijven, hangt af van het BEX voordeel dat bij stikstof kan worden behaald en van de toekomstige prestatie.

Gevolgen beleid bij groei

Voor twee Koeien & Kansen-bedrijven is uitgerekend welke effecten de beleidswijzigingen (Melkveewet en AMvB) hebben wanneer beide bedrijven met 10% in aantal koeien zouden groeien. Figuur 1 laat de resultaten van deze verkennende berekening zien.

staafdiagram.png

Figuur 1: Wegwerken fosfaatoverschot in 2014 en 2016 bij 2 Koeien en Kansen-bedrijven, waarbij in 2016 10% groei van de veestapel is verondersteld. Wegwerken fosfaatoverschot is onderverdeeld in mestafvoer, mest verwerking (afhankelijk van beleidsaanpassing en regio) en extra benodigde grond (uitgedrukt in kg P2O5, bij AMvB). De situatie in 2014 is weergegeven zonder groei en bij de beleidsregels van 2014.

Bedrijf 1

Figuur 1 laat zien dat bedrijf 1 bij 137 koeien en 53 ha grond in 2014 ongeveer 2000 kg P2O5 met mest moet afvoeren. Daarnaast is bij de regelgeving van 2014 voor 5% van het mestoverschot mestverwerking nodig (percentage bij regio “Overig” in 2014).

Na 10% groei van de veestapel in 2016 (van 137 naar 151 koeien) moet bedrijf 1, naast bijna 2000 kg P2O5 mestafvoer, ook bijna 1000 kg P2O5 mest laten verwerken. Het grootste deel van de te verwerken fosfaat komt door het melkvee-fosfaatoverschot (MFO) 2014, wat volledig verwerkt mag worden. Daarnaast moet in 2016 in regio “Overig” 10% van de melkveefosfaatreferentie verwerkt worden en mag bij een fosfaatoverschot van 44 kg P2O5/ha 75% van de productiegroei ten opzichte van de forfaitaire productie in 2014 verwerkt worden (ongeveer 120 kg P2O5). Dit is, ondanks 10% meer koeien, niet zo veel omdat dit bedrijf in 2016 een BEX winst van 7% voor fosfaat realiseert ten opzichte van de forfaitaire fosfaatproductie in 2014. Deze BEX-winst houdt de groei van fosfaatproductie beperkt. Bij een groei van de veestapel met 7% zou door de BEX-winst van 7% de BEX-fosfaatproductie in 2016 ten opzichte van de forfaitaire productie van fosfaat in 2014 niet stijgen. In dat geval is er geen groei in fosfaatproductie bij 7% meer koeien en is er geen extra mestverwerking of extra grond nodig.

Voor minimaal 25% van de productiegroei, die bij 10% meer koeien in 2016 optreedt (BEX 2016 t.o.v. forfaitaire productie 2014) is, bij een overschot tussen de 20 en 50 kg P2O5/ha, extra grond nodig. Voor dit bedrijf gaat het om minimaal 0,5 ha extra grasland (41 kg P2O5

Toelichting: Effect van een goede BEX

Wanneer een bedrijf met BEX een lagere fosfaatproductie realiseert dan met forfaitaire normen, dan is het fosfaatoverschot lager. Een lager fosfaatoverschot leidt tot minder mestafvoer, maar kan bij de nieuwe mestregels ook leiden tot minder mestverwerking en minder grond verwerven. Op bedrijf 1 is in 2016 de BEX productie van fosfaat 7% lager dan bij toepassen van de forfaitaire normen.

Toepassen van BEX na groei in 2016 bespaart bedrijf 1 bijna 400 kg P2O5 mestverwerking en 1,5 ha extra grond bovenop de mestverwerking en grond die in figuur 1 is weergegeven.

Een groot BEX-voordeel kan er dus voor zorgen dat de effecten van de melkveewet en AMvB beperkt blijven.

Bedrijf 2

Bedrijf 2 moet in 2014 bij 132 koeien en 44 ha grond bijna 900 ton mest afvoeren. Ondanks het fosfaatoverschot hoeft dit bedrijf, dat ook in regio “Overig” zit, geen 5% mest te verwerken. Dit komt doordat het bedrijf onder de grens van 100 kg P2O5 blijft, die minimaal verwerkt moet worden.

Na 10% groei in 2016 (van 132 naar 145 koeien) is verwerken van mest op bedrijf 2 wel noodzakelijk. Bijna 650 kg P2O5 moet verwerkt worden, vooral door 100% verwerking van het MFO van 2014 en door de productiegroei van 2016 ten opzichte van de forfaitaire productie van 2014. Een klein deel (10%) van de melkveefosfaatreferentie van bijna 900 kg P2O5 moet worden verwerkt in regio “Overig”. Zou het bedrijf in de regio “Oost” of “Zuid” liggen, dan moest respectievelijk 30% of 50% van de melkveefosfaatreferentie verwerkt worden.

Voor minimaal 25% van de productiegroei in 2016 (productie BEX 2016 ten opzichte van forfaitaire productie 2014) is bij een overschot tussen de 20 en 50 kg P2O5/ha extra grond nodig. Voor dit bedrijf gaat het om minimaal 1 ha grasland (89 kg P2O5 plaatsingsruimte). Wanneer dit bedrijf een overschot van meer dan 50 kg N/ha zou hebben dan moest 50% van de productiegroei gedekt worden door extra grond en was mimimaal 2 ha extra grond nodig.

Toename mestverwerking en extra grond

De voorbeelden van Koeien en Kansen laten zien dat groei binnen de nieuwe regels van de Melkveewet en de AMvB kan leiden tot een forse toename van de hoeveelheid te verwerken mest, maar ook dat extra grond al heel snel aan de orde is. Bovendien blijkt dat bedrijven eerder maatregelen moeten nemen (mest verwerken en extra grond) door de verlaagde forfaitaire productienormen.