Persbericht

Met vreemden aan de bar hangen - in naam van de wetenschap

Gepubliceerd op
30 april 2014

Veel wetenschappers denken na op een systematische wijze. Dat is hun vak. Zo ook is het wetenschappelijk bedrijf en het onderwijs stelselmatig opgebouwd. Toch is dat vreemd, want de grootste wetenschappers blijken er twee manieren van denken op na te houden. Naast het redenerend denken koesteren zij de vrije associatie met gedachtes en ideeën. De wetenschappelijke praktijk en ons onderwijs zouden er goed aan doen zich te hervormen naar deze tweevoudige denktrant, betoogt prof. Marten Scheffer van Wageningen University in een opiniestuk in PNAS van deze week.

Nadenken is een kernactiviteit van wetenschappers die worden gevormd in hun studie en opleiding. Daarin worden methodes, procedures en publicatieregels stelselmatig aangeleerd en geoefend. Wetenschappers en onderzoekers zijn daardoor in staat om onderscheid te maken tussen correct en fout, of tussen onmogelijk en aannemelijk.

Maar dat is maar het halve verhaal, meent de Wageningse hoogleraar prof. Marten Scheffer die eerder de prestigieuze Spinoza-premie werd toegekend. Volgens hem wordt creativiteit mede aangestuurd door het vermogen van iemand om verbanden te leggen tussen totaal verschillenden zaken. Dit vrij denken is afhankelijk van de persoon maar ook van diens geestestoestand, bijvoorbeeld tijdens het maken van een ommetje, zoals Charles Darwin deed, bij het in slaap vallen of tijdens het aardappelen schillen. “Dan kun je met je gedachten wegdromen”, legt de hoogleraar uit. “Je mag hieruit afleiden dat het goed zou zijn om in je dagelijkse routine je denkwerk af te wisselen met activiteiten om de geest te laten afdwalen.”

Wetenschapsprijzen

Maar hoe voed je zo’n ‘machine van de vrije associatie’ die de wetenschappelijke inzichten verruimt met onverwachte en dus niet te plannen verbanden? Wellicht heeft louter nieuwsgierigheid een gidsfunctie, waarbij de onderzoeker onderweg al snuffelend de ‘elementen’ voor de associatieve machine plukt. Dit past in de constatering dat de winnaars van internationale wetenschapsprijzen zich zonder uitzondering een veelheid aan wetenschappelijke diversiteit eigen maakten. Scheffer citeert Nobelprijswinnaar Kenneth Arrow, één van de vele wetenschappers met wie hij over deze zaken sprak, om te benadrukken dat juist ongerichte nieuwsgierigheid vaak tot doorbraken leidt. Arrow schetst zijn eigen succesvolle houding met de paradoxale uitspraak: "Het staat zo ver af van waar ik me mee bezighoud, dat ik me er wel voor moet interesseren".

Hoewel er stimuleringsregelingen zijn om wetenschappers van verschillende disciplines met elkaar te laten samenwerken – met het oog op onverwachte vondsten – blijkt die coöperatie weinig sprankelende resultaten op te leveren, tot frustratie van beleidsambtenaren. Onvoorziene ontmoetingen kun je echter bevorderen, meent prof. Scheffer, doelend op enkele kleine Amerikaanse interdisciplinaire instituten, zoals SARAS in Santa Fé. Ook op traditionele campussen kan men aantrekkelijke, informele plekken creëren met lekkere hapjes en goeie koffie, die uitnodigen tot ongeprogrammeerde kruisbestuivingen van vakgebieden, meent prof. Scheffer. “Met vreemden aan de campusbar hangen, dingen lezen die geen verband houden met je werk. Het klinkt vreemd, maar toch zouden we het moeten doen”, adviseert hij. “Dus waar wachten we nog op als we weten dat onverwachte associaties belangrijk zijn en we ook weten hoe we die moeten faciliteren?”