Nieuwe EU-regels gebruik van biodiversiteit

Nieuws

Nationaal Informatiepunt over nieuwe EU-regels gebruik van biodiversiteit

Gepubliceerd op
23 september 2015

Eeuwenlang mochten organisaties vrij wilde zaden, bacteriën of ander genetisch materiaal uit het buitenland halen voor onderzoek of ontwikkeling. Maar die tijd is voorbij. Sinds 2014 moeten ze contracten sluiten met de landen van herkomst. Het Centrum voor Genetische Bronnen Nederland (CGN) van Wageningen UR, heeft in opdracht van het Ministerie van Economische Zaken een informatieloket opgezet: het ABS National Focal Point.

“We krijgen vragen van bedrijven en onderzoeksinstellingen uit heel Europa”, zegt CGN-directeur Bert Visser, contactpersoon voor dit informatiepunt over de zogenaamde Access and Benefit Sharing (ABS). “Hoogleraren, R&D managers of juristen willen bijvoorbeeld weten of zij ook zo’n contract moeten sluiten, en waarom. Of ze willen weten hoe ze in het land van herkomst de verantwoordelijke autoriteiten kunnen vinden.”

Nagoya protocol

In 1992 had een aantal landen met veel biodiversiteit, waaronder Costa Rica, Peru en Indonesië, een nieuw principe bedongen, genaamd Access and Benefit Sharing. Ze wilden delen in de winsten die werden gemaakt op nieuwe medicijnen, zaden of andere producten met daarin genetisch materiaal uit hun land. De internationale gemeenschap ging akkoord. Maar de uitwerking bleek nog niet zo simpel. Soorten en hun genen overschrijden immers voortdurend grenzen. En wie is dan ‘eigenaar’?

Uiteindelijk kwamen de landen er in 2010 in Nagoya (Japan) met een nieuw protocol uit. In oktober vorig jaar ging de EU-richtlijn van kracht die de naleving van het Nagoya-protocol regelt.

Controles vanaf oktober 2015

Nu moet ook voor het meest onbeduidende luisje dat tijdens een missie wordt gevonden, of dat een buitenlandse medewerker meebrengt, een contract overlegd kunnen worden. Tegenprestaties zijn bijvoorbeeld een bepaald percentage van de eventuele winst op een nieuw product. Of trainingen aan collega’s van de herkomstlanden in gezamenlijke projecten. Vanaf oktober 2015 gaan inspectiediensten binnen de EU (in Nederland de Voedsel en Warenautoriteit) de administraties rond gebruikt materiaal controleren.

Voor dat contract is het noodzakelijk om contact te leggen met de verantwoordelijke autoriteit in het land van herkomst van de biodiversiteit. “Wij raden altijd aan om de autoriteiten via een bestaande onderzoekspartner in dat land te benaderen”, zegt Visser. Maar dan nog kunnen er problemen ontstaan. Bijvoorbeeld de nationale regels zijn nog niet gepubliceerd, of het aanspreekpunt is niet te vinden. Of de ambtenaren reageren niet. Visser: “Wij zeggen dan vaak: houd het niet te snel voor gezien, dat is te risicovol, probeer nog eens op verschillende manieren contact op te nemen.”

Kosten laag houden

Visser krijgt regelmatig de vraag hoe een organisatie de bijkomende kosten zo laag mogelijk kan houden. “Dat kan bijvoorbeeld”, zegt hij, “ door voorbeeldcontracten binnen een sector als model over te nemen.” Zo hebben 170 botanische tuinen al in een richtlijn vastgelegd om zaden onderling vrij uit te wisselen. Sommige organisaties, zoals CBS-KNAW in Utrecht, leveren alleen monsters voor fundamenteel onderzoek, wat de administratie ook ontlast. En de FAO heeft een standaard 'transfer agreement' opgesteld voor genetisch materiaal om voedselgewassen te verbeteren: de aanvragers betalen 1,1 procent van de omzet op een nieuw product. Dat is dan niet aan het land van herkomst, maar aan een internationaal fonds.

Het Nederlandse ABS Focal Point heeft veel informatie en uitleg over de nieuwe regels over het gebruik van biodiversiteit in het Nederlands en in het Engels on line beschikbaar gemaakt via deze site. Die informatie is vanzelfsprekend wereldwijd toegankelijk. Organisatie en personen uit Nederland kunnen via het Focal Point ook toegesneden advies krijgen.