Nieuw meerjarig observatie-onderzoek (surveillance studie) bijengezondheid in Nederland

Nieuws

Nieuw meerjarig observatie-onderzoek (surveillance studie) bijengezondheid in Nederland

Gepubliceerd op
15 december 2014

J. van der Steen

In het 'Bijenberaad', een initiatief van het Ministerie van Economische Zaken om in samenwerking met alle belanghebbenden te werken aan een gezonde bijenstand, is besloten een meerjarig observatie- onderzoek uit te voeren om de bijengezondheid en wintersterfte in kaart te brengen. De opzet van dit onderzoek is gebaseerd op het Europees onderzoek dat door het Europees Referentie Laboratorium uitgevoerd is. Met de resultaten kunnen nieuwe ingangen gevonden worden voor praktijk- en fundamenteel onderzoek en voorstellen voor mitigerende maatregelen gedaan worden. Dit onderzoek start dit jaar en loopt tot eind 2017. Om een goed beeld te krijgen van de gezondheid, omgevingsfactoren en belasting met bestrijdingsmiddelen van de bijenvolken in Nederland, wordt de dringende medewerking van alle Nederlandse imkers gevraagd.

Om het observatie-onderzoek optimaal uit te voeren is een consortium gevormd. Hierin is de ervaring en kennis bijeengebracht, nodig om dit onderzoek op een verantwoorde, wetenschappelijke wijze uit voeren. Het consortium bestaat uit Naturalis, Bijen@wur, Alterra en het Nederlands Centrum voor Bijenonderzoek (NCB).

Professor Koos Biesmeijer van Naturalis is de projectleider, Naturalis en Alterra werken aan de GIS analyse van het landschap en dracht, het landelijke monitoringonderzoek van de NCB maakt deel uit van de gegevens die voor het onderzoek verzameld worden en Bijen@wur organiseert en coördineert het veldonderzoek, de opslag van het monstermateriaal, de ziekte-analyses en het residu-onderzoek. Dit residu-onderzoek naar bestrijdingsmiddelen in honing wordt uitgevoerd door het Rikilt (Nederlands Instituut voor Voedselveiligheid). Het 'Bijenberaad' is de klankbordgroep om de kwaliteit en de onafhankelijkheid van dit onderzoek te bewaken. Het onderzoek wordt voor 51% gefinancierd door de overheid en voor 49% door Nefyto (Nederlandse Stichting voor Fytofarmacie).

De rest van dit artikel beperkt zich tot de rol van Bijen@wur en de gevraagde medewerking van de Nederlandse imkers.

imker.jpg

Medewerking van Nederlandse imkers

Voor het deel van het onderzoek dat al uitgevoerd in het najaar van 2014, zijn uit de ledenlijsten van de geregistreerde imkers van de NBV, ANI en ABTB, verdeeld over het land, 200 imkers geselecteerd. Deze imkers zijn benaderd met het dringende verzoek mee te werken aan dit onderzoek. De enige voorwaarde was dat de bijenstand uit minimaal drie tot vijf volken bestond.

De geselecteerde bijenstanden zijn bezocht door inspecteurs, die getraind zijn door Bijen@wur. De eerste inspectie/monstername heeft al in september 2014 plaatsgevonden. Er zijn 20 inspecteurs opgeleid zodat elke inspecteur steeds ongeveer 10 bijenstanden zal inspecteren/bemonsteren. In de praktijk zijn uiteindelijk, omdat het al laat in het jaar werd, 55 bijenstanden bemonsterd. Bij de inspectie is een vragenlijst ingevuld en zijn 3 tot maximaal 5 volken geïnspecteerd en bemonsterd. Daarnaast zijn bijen-, honing- en bijenbroodmonsters genomen door de inspecteurs. Dit uiteraard alleen na goedkeuring en in aanwezigheid van de imker of, wanneer de imker niet aanwezig kon zijn, met toestemming van de imker. De monsters zijn vervolgens ingevroren.

Van de drie tot vijf bemonsterde volken wordt er één onderzocht op: Varroa destructor, Nosema apis, Nosema ceranae, DWV en ABPV op/in de bijen, residu van bestrijdingsmiddelen (voornamelijk maar niet uitsluitend Neonicotinoïden en varroabestrijdingsmiddelen) en herkomst van het bijenbrood (pollenanalyse). In het voorjaar van 2015 wordt vervolgens geïnventariseerd hoe de overwintering van de bemonsterde volken en van de gehele bijenstand was. Vervolgens zal op basis van deze informatie opnieuw één monster per bijenstand van de monstername van najaar 2014 onderzocht worden. De rest van de monsters wordt bewaard voor eventueel vervolgonderzoek.

Nieuwe bijenstanden

In het voorjaar van 2015 wordt opnieuw een selectie gemaakt van de Nederlandse imkers. Op deze nieuwe bijenstanden worden volken bemonsterd in mei en augustus 2015 en vragenlijsten ingevuld. De mei-monsters worden niet onderzocht maar bewaard voor mogelijk vervolgonderzoek. De augustus-monsters 2015 worden onderzocht zoals beschreven bij de augustusmonsters van 2014. In 2016 en 2017 wordt dezelfde procedure herhaald.

We verwachten met deze  monstername- en analyseprocedure, de GIS analyses van de omgeving, de gegevens uit de vragenlijsten en informatie over de wintersterfte op de geselecteerde bijenstanden, voldoende gegevens te verzamelen om de beoogde doelen: inzicht in ziektebelasting, inzicht in residubelasting en inzicht in de omgevingsfactoren van de bijenstanden en onderlinge verbanden zo duidelijk in kaart te kunnen brengen dat vervolgstappen verantwoord gezet kunnen worden.

Wij hopen dan ook op een volledige medewerking en inzet van de Nederlandse imkers om van dit onderzoek een succes te maken. Daarvoor reeds bij voorbaat onze hartelijke dank.