Persbericht

Omgaan met grenzen is essentieel bij ruimtelijke sturing

Gepubliceerd op
9 november 2016

In pogingen om ruimtelijke ontwikkeling te beïnvloeden, vinden discussies plaats over verschillen tussen plekken en gebieden en over de rollen van overheid en samenleving. In die discussies moeten betrokkenen zich zien te verhouden tot andere groepen betrokkenen. Met andere woorden, grenzen. Het omgaan met grenzen is onvermijdelijk, bij het omgaan met ruimtelijke sturing. Dit is de conclusie uit het proefschrift van Judith Westerink, die onlangs promoveerde. De resultaten zijn internationaal en wetenschappelijk interessant. Het proefschrift is uitgebracht in de serie Alterra Scientific Contributions.

Centraal thema in het proefschrift is het omgaan met grenzen in ruimtelijke sturing. In ruimtelijke sturing wordt continu onderscheid gemaakt: tussen natuur en landbouw, tussen stad en land, overheid en niet-overheid, en verschillende categorieën mensen. Dergelijke grenzen liggen niet vast: ze zijn omstreden en betrokkenen proberen er invloed op uit te oefenen, omdat ze hun mogelijkheden om te sturen beperken of vergroten. Belangrijke conclusie van het proefschrift is, dat het omgaan met grenzen in ruimtelijke sturing onvermijdelijk is.

Effectieve ruimtelijke sturing houdt rekening met alle soorten grenzen die relevant zijn. Actoren zetten ‘grensarrangementen’ in om met grenzen om te gaan. Voorbeelden zijn grensconcepten die helpen om sociale grenzen te overbruggen waardoor samenwerking mogelijk wordt, en grensorganisaties die een platform bieden voor interactie tussen bijvoorbeeld overheid en boeren.

Drie van de acht hoofdstukken bestaan uit artikelen die met steun van KB werden geschreven; twee hoofdstukken zijn gebaseerd op BO onderzoek. Judith Westerink: “Het mooie van het werk bij Wageningen University & Research is dat je steeds aan het schakelen en vertalen bent tussen wetenschap en praktijk. We brengen wetenschappelijke inzichten de praktijk in, en we voeden de wetenschap met lessen uit de praktijk.”

KB droeg bij aan het schrijven van twee artikelen op basis van Europees gefinancierd onderzoek naar planning en sturing van stadsrandgebieden. Een artikel gaat in op de strategieën die planologen gebruiken om te kunnen omgaan met de voor- en nadelen van het compacte stad concept. Het tweede artikel beschrijft hoe stadsrandgebieden geframed worden als ‘stad’ dan wel als ‘platteland’ en hoe die framing tot uitdrukking komt in gebiedsconcepten en ertoe doet in gebiedsprocessen. Een recent KB project onderzocht de rol van het concept landschapsdiensten in het op gang brengen van samenwerking tussen overheden en boeren in een plattelandsgebied.

Het BO-project Boeren voor Natuur leverde inspiratie voor twee artikelen (die vervolgens in eigen tijd werden geschreven). Ook het meer toegepaste BO onderzoek kan dus wel degelijk internationale en wetenschappelijke relevantie hebben.
Een aantal inzichten uit het proefschrift worden inmiddels al toegepast in de praktijk van het BO onderzoek. Zo is de typering van agrarische collectieven voor natuur- en landschapsbeheer als ‘grensorganisaties’ nuttig in hun zoektocht naar hun rol en identiteit in de samenwerking met provincies en andere partijen.