Nieuws

Opschaling zaadoogst uit de genenbank

Gepubliceerd op
22 september 2021

Jaarlijks oogst Staatsbosbeheer duizenden kilo’s zaden van inheemse bomen en struiken. Deze zaden worden geplukt in het wild, in zaadopstanden die erkend zijn door de Rassenlijst Bomen en in de genenbank Roggebotzand. Uit de zaden wordt plantmateriaal opgekweekt voor de aanleg van nieuwe bossen en landschapselementen met een hoge biodiversiteitswaarde.

Toenemende vraag naar autochtoon plantmateriaal

Vorig jaar presenteerden het Rijk en de provincies een Bossenstrategie, waarmee Nederland de kwaliteit van bossen wil verbeteren en de ontbossing wil tegengaan. Een van de grootste ambities is 10% meer bos in 2030, oftewel 37.000 hectare aan bos en bomen erbij. Dit kunnen nieuwe bossen zijn, maar ook landgoederen, nieuwe landschapselementen zoals houtwallen en hagen of agroforestry (landbouwsysteem waarbij bomen gecombineerd worden met akkerbouw of veeteelt). Geschat wordt dat in de komende 10 jaar maar liefst 100 miljoen planten nodig zijn voor de beoogde bosuitbreiding.

Oorspronkelijk inheemse populaties, ook wel autochtoon genoemd, zijn aangepast aan het lokale klimaat en milieu, waardoor autochtoon plantmateriaal een streepje voor heeft op materiaal dat uit een ander klimaat komt. Autochtoon plantmateriaal vormt daarom een belangrijk aandeel van deze nieuwe aanplant. Dat geldt met name voor aanplant waar veel winst voor biodiversiteit te behalen is, zoals bij herstel en aanleg van kleine landschapselementen, of in Natura 2000-gebieden.

Zaadoogst op locatie

Zaden voor de opkweek van autochtoon plantmateriaal worden voornamelijk in het wild geoogst. Oogstplekken zijn bossen, houtwallen en struwelen waar oorspronkelijk inheemse bomen en struiken staan. Deze populaties zijn op de Rassenlijst Bomen opgenomen en zijn daarmee erkende zaadopstanden. Van de 110 houtige inheemse soorten die Nederland kent, oogst Staatsbosbeheer elk jaar van ca. 65 soorten zaden. Het gaat om soorten als Spaanse aak, rode kornoelje, meidoorns, kardinaalsmuts, sleedoorn, wegedoorn, rozen en vlier. De meeste soorten worden geoogst in de maanden augustus tot oktober, maar het oogstseizoen begint al in mei als de zaden van de fladderiep rijp worden.

Meer plantmateriaal uit de genenbank

De genenbank Roggebotzand biedt naast het veiligstellen van genetisch materiaal van bomen en struiken in een veldcollectie ook de mogelijkheid om op grote schaal zaden van deze bomen te oogsten. Van ruim 50 soorten zijn de bomen en struiken in Roggebotzand tegenwoordig oud genoeg om zaden en stekken (wilg, populier) van te oogsten. Het gebruik van materiaal uit de genenbank is de laatste jaren gegroeid naar 800.000 planten/stuks plantsoen per jaar en naar verwachting gaat dit de komende jaren nog meer groeien.

Een belangrijk voordeel van oogsten uit de genenbank is dat de genetische diversiteit zo breed mogelijk is. Veel accessies zijn afkomstig uit kleine relictpopulaties of stonden als eenlingen in het bos. Deze staan nu in één grote populatie bij elkaar, waarvan gezamenlijk zaad geoogst kan worden met een brede genetische diversiteit. Met name voor zeer zeldzame soorten als wilde appel en fladderiep is dit gunstig. De zaden zijn voor eigen gebruik van Staatsbosbeheer, bedoeld om de komende jaren 5.000 hectare nieuw bos aan te planten, waarvan een deel met dit autochtone materiaal. Ook gaat er veel materiaal naar andere terreinbeheerders, waterschappen, Rijkswaterstaat, provincies en gemeenten voor de aanleg van nieuwe natuur. Daarnaast wordt er autochtoon plantsoen gebruikt voor aanzienlijke revitaliseringsprogramma’s, waaronder omvorming van zieke essenopstanden en naaldhoutbossen.

Foto: René van Loon.