Rivierkreeft

Nieuws

Populatiegrootte en verspreidingsgebied van habitatrichtlijnsoorten in Nederland in beeld gebracht

Gepubliceerd op
14 oktober 2015

Onderzoekers van Alterra Wageningen UR hebben in samenwerking met de particuliere gegevensbeherende organisaties een overzicht gemaakt van de gunstige referentiewaarden voor de populatiegrootte en verspreidingsgebied van de in Nederland voorkomende soorten van de Habitatrichtlijn. Het ministerie van Economische Zaken heeft deze informatie nodig om de staat van instandhouding van deze soorten te beoordelen.

Gunstige referentiewaarden

De Habitatrichtlijn bestaat in Nederland sinds 1994. Om referentiewaarden op te stellen, is gekeken of de populatiegrootte en verspreidingsgebied van soorten in 1994 het duurzaam voortbestaan voor langere tijd waarborgen. Hiervoor zijn deze zogenoemde gunstige referentiewaarden als ondergrens genomen. Als de populatiegrootte of het verspreidingsgebied onder die grens komen, kan dit leiden tot een ongunstige staat van instandhouding.

Duurzaam voortbestaan

De onderzoekers hebben per soort eerst de gunstige referentiewaarde voor de populatiegrootte vastgesteld op basis van het vereiste aantal volwassen individuen. Daarna heeft men naar het verspreidingsgebied van een soort gekeken in het aantal bezette gebieden van 10 bij 10 km. De Habitatrichtlijn geeft aan dat populatiegrootte en verspreidingsgebied niet kleiner mogen worden vanaf het moment dat de Habitatrichtlijn in werking trad. De referentiewaarde is de waarde als beide in 1994 voldoende groot waren om een duurzaam voortbestaan van de soort in Nederland te waarborgen. Was die waarde te klein, dan is per soort aangegeven hoe deze gunstige referentiewaarden zijn bepaald. De informatie is gebaseerd op wetenschappelijke inzichten vanuit internationale literatuur en er zijn experts benaderd van de particuliere gegevensbeherende organisaties en van Alterra en Imares Wageningen UR.

Onderzoeksrapport
Het rapport geeft van 76 soorten de gunstige referentiewaarden voor populatiegrootte en verspreidingsgebied, zowel per soortgroep als per afzonderlijke soort. In het rapport is per soort ook aangegeven hoe deze gunstige referentiewaarden behouden of bereikt kunnen worden, en wat de mogelijke invloed van een klimaatopwarming is.